Dijksgracht

Het is zomer in Amsterdam, maar aan de Dijksgracht hangt schaduw. De tunnel waar de bussen doorheen rijden dreunt nog na als ik de hoek omsla. Gemeentemannetjes bewerken een elektriciteitskast en maken zo te ruiken gebruik van een Dixi-toilet. Pas bij de tweede woonboot wordt het rustig. ‘Go walkabout’ adviseert een plakkaat voor het raam. Ik ben geen Aboriginal, maar daar kan ik wel wat mee. Verderop één van de twee bomen waar de Dijksgracht bekend om is, de Ramses Shaffyboom. Hij schijnt hier ooit een jaartje gewoond te hebben op een boot. Hij schreef er een paar liedjes en trok weer verder. De meeste bewoners van nu lijken juist te zijn blijven hangen. Ooit frank en vrij, nu al wat ouder en een tikkeltje nukkig. Zou ik ook worden trouwens, met al dat volk dat maar door de straat banjert, net vrijgelaten van hun varende gevangenissen uit Italië of Oostenrijk. Een langharige grijsaard, duidelijk een bewoner, staat een houten paaltje te schilderen. De vrolijke muziek uit zijn boxen past niet helemaal bij hem, maar geeft mij wel de overmoed hem te groeten. Als hij ziet dat ik geen bejaarde Zwitserse toerist met een buiktasje ben groet hij binnensmonds terug. Ik haal twee strompelende Amerikanen in. De man, die duidelijk last heeft van de onverwachte hitte, vraagt bezorgd ‘How far to the beer garden?’ ‘You’ve almost made it’, zeg ik. Hanneke’s Boom ligt om de hoek. Ik betwijfel of de Amerikanen er ooit nog weg zullen komen. Als ze de lichtjes in de biertuin zien hangen kijken ze alsof ze hun laatste rustplek al gevonden hebben. Ik loop nog even verder.

Facebooktwitterlinkedinmail

Leave a Reply