L.H. Wiener – De zoete inval (+ Fallen Leaves en Herinneringen aan mijn uitgevers)

Afgelopen maand verscheen De zoete inval van de Haarlemse schrijver L.H. Wiener, een bundeling verhalen ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag. De flaptekst spreekt ronkend van ‘de kwaliteit van het literair oeuvre dat Wiener in de loop van meer dan vijftig jaar opbouwde’. Meer dan vijftig jaar! Da’s in elk geval qua duur alvast imposant. Maar eerlijk gezegd kende ik hem niet. Goed, toegegeven, ik had wel eens vaag van hem gehoord. Hij was me door een klant in de boekhandel een keer getipt, met name in zijn hoedanigheid van schrijver van korte verhalen. Daarbij had ik ook iets onthouden over zijn nukkigheid en zijn vele vetes. Interessant.

Deze winter las ik de nieuwste bundel ZKV’s van A.L. Snijders, Doelloos kijken. Altijd een genoegen. Snijders wisselt hierin een paar brieven uit met Wiener, waarop er ergens in mijn achterhoofd een lampje begon te branden. Ik liep naar mijn boekenkast en trok daar de bundel korte verhalen uit die A.L. Snijders een paar jaar geleden had samengesteld voor de actie Nederland Leest, met daarin zijn favoriete Nederlandse verhalen. Warempel, Wiener stond ertussen. Had ik toch al wat van hem gelezen, hoewel het me kennelijk niet enorm was bijgebleven.

Wat van A.L. Snijders komt is doorgaans de moeite waard. Daarom besloot ik wat van L.H. Wiener te gaan lezen; ik hou er van om zo je eigen neus achterna te lezen. Maar ja, waar begin je bij zo’n oeuvre van meer dan vijftig jaar? Gelukkig was er een paar jaar geleden een bundeling brieven van Wiener verschenen, Fallen Leaves genaamd. Vanwege de imposante lengte van dit boek (560 pagina’s!) begon ik er met enige huivering in te lezen. Al gauw vloog ik er echter doorheen, onderwijl regelmatig schaterend en zinnen onderstrepend. Ik had nog geen idee van zijn romans en verhalen, maar brieven schrijven bleek Wiener als de beste te kunnen.

Fallen Leaves bevat een selectie van meer dan vijftig jaar correspondentie met vrienden, vijanden, schrijvers, onderwijscollega’s, recensenten, redacteuren en andere letterkundigen. Het leest als een autobiografie, waarin je niet alleen Wieners schrijverschap ziet ontstaan, maar ook allerlei ups en downs uit zijn leven voorbij ziet komen. Gaandeweg zie je veel vriendschappen stranden en vetes ontstaan, hoewel sommige vriendschappen na een lange gebrouilleerde periode ook weer opgepakt worden. Wiener is vaak een querulant genoemd, iemand die uiteindelijk haast met iedereen ruzie schopt. Uit de brieven blijkt dat dit zonder meer vaak het geval is geweest, maar Wiener komt er niet zozeer als een zuurpruim uit naar voren. Eerder als een principiële man die zijn mening niet onder stoelen of banken steekt.

Fallen Leaves begint met een briefje van een nog zeer jonge Wiener aan de beroemde schrijver W.F. Hermans, waarin hij twee verhalen aanbiedt voor publicatie in het literaire tijdschrift Podium. Vijftig jaar later schrijft Wiener in een kort bijschrift ‘Mijn zending kreeg ik per omgaande terug, inclusief mijn eigen brief, met rechtsonder, handgeschreven: Ik denk van niet, maar kop op, u kunt nog veel leren. En met die bemoedigende sneer zette mijn schrijverschap in.’ Dit schrijverschap blijft tot Wieners eigen frustratie jarenlang grotendeels onopgemerkt. Recensenten reageren vaak lauw op zijn boeken en bespreken hem na verloop van tijd amper meer. Zijn boeken verkopen moeizaam. Pas in later jaren krijgt hij alsnog de nodige erkenning.

Een rode draad door Wieners carrière als schrijver vormt zijn moeizame relatie met zijn uitgevers. Vijf uitgevershuizen heeft hij in de loop der jaren versleten, wat heeft geleid tot woeste correspondenties met illustere uitgevers als Geert van Oorschot, Bert Bakker en Mai Spijkers. Fallen Leaves kan al deze uitgeverscorrespondenties nooit allemaal bevatten, dus geprikkeld door dit onderwerp ben ik hierna gelijk Herinneringen aan mijn uitgevers gaan lezen. In dit boek heeft Wiener alle brieven aan zijn uitgevers verzameld. Voor mij is dit vakliteratuur en van Wieners grillige weg door uitgeversland kan menig (aspirant)-schrijver en uitgever nog wat leren.

Zowel in Herinneringen aan mijn uitgevers als Fallen Leaves heb ik regelmatig zitten smullen van alle vetes en polemieken die Wiener met onverstoorbare energie steeds maar weer aangaat. Op persoonlijk vlak houdt hij op den duur weinig vrienden meer over, maar voor een lezer zijn dit soort brieven smullen. Welbespraakt, met een originele combinatie van vormelijkheid, ironie en stilistisch vernuft, mij bevalt Wieners stijl zeer. Een voorbeeld van zo’n typisch Wieneriaanse zin, geschreven na een verhitte caféruzie met een oud-schoolgenoot:

Een minkukel is een mislukkeling, een stijlloos mens, iets dergelijks. Jij die in je leven nooit iets hebt afgemaakt, maatschappelijk mislukt bent en slechts parasiteert op gefundenes Fressen, je aangereikt door je vrouw, voldoet bij uitstek aan de omschrijving minkukel; waarschijnlijk schreeuw je het daarom zo graag in de rondte en wilde je ook mij zo noemen. Het is in feite een begrijpelijke reactie, die me overigens doet denken aan de debiel die ik in Amsterdam eens zag aan de overzijde van de Blauwbrug en die naar mij kijkend met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd wees. (p. 145)

Kort na lezing van Fallen Leaves en Herinneringen aan mijn uitgevers verscheen de nieuwe bundel De zoete inval. Ik was nu wel erg benieuwd geraakt naar Wieners fictionele werk, maar het interessante is dat zijn fictie eigenlijk weinig verschilt van zijn brieven. Allerlei gebeurtenissen uit zijn leven die ik in de brieven al was tegengekomen komen in de verhalen ook terug. Voor al zijn verhalen en romans put Wiener uit zijn eigen autobiografie, waarmee hij met al zijn werk in feite aan één groot autobiografisch geheel werkt. De brieven horen hier duidelijk ook bij. Sterker nog, een paar van de verhalen in De zoete inval zijn ook brieven. Bijvoorbeeld aan A.L. Snijders, waar Wiener al twintig jaar uitgebreid mee correspondeert. Of ‘Brief aan F. Starik (Poste restante)’, een mooie brief die ineens tragisch wordt als je je beseft dat Starik de brief nooit gelezen heeft; een paar dagen daarvoor had hij een eind aan zijn leven gemaakt.

Het verhaal ‘Buizerd’ opent als volgt:

Er valt in mijn werk geen mus van het dak zonder dat ik er een verhaal aan wijd.
Fantasie speelt geen rol.
Verzinnen kan met alles wel.
Vormgeven is de kunst.
Een kunst waarbij strikt literaire wetmatigheden heersen, voorwaarden waaraan een schrijver zich zonder tegenstribbelen dient te onderwerpen. (p. 71)

Voor mij vat dit alles samen. Wiener schrijft niet omdat hij het leuk vindt, maar omdat hij wel moet. Hij heeft een innerlijke noodzaak die hem er constant toe dwingt zaken uit zijn leven op te tekenen. Volgens strenge literaire criteria, want zo schrijft Wiener herhaaldelijk: ‘Middelmaat is ondermaat en ondermaat moet worden teruggeworpen’. Of het nu een verhaal, een roman of een brief is, alles hoort bij elkaar. Sommige gebeurtenissen komen vaker terug, in verschillende verhalen en brieven, soms vanuit verschillend perspectief.

Met L.H. Wiener is er voor mij duidelijk een favoriete schrijver bijgekomen. Grappig genoeg voelt het alsof hij er al langer was, maar dat ik hem nu pas zie. Wat, gezien het verloop van zijn lange schrijverscarrière, eigenlijk ook wel passend is. Binnenkort verschijnt er een boek van zijn hand waarin hij verslag doet van een zeilreis rond Engeland. Hij blijkt niet alleen een schrijver naar mijn hart te zijn, maar ook een zeiler. Voorwaar een goeie binnenkomer!

Dat er nog meer boeken van Wiener op mijn leeslijst zullen komen na deze drie lijkt me onvermijdelijk. Daarnaast heb ik in de kantlijn van Fallen Leaves de nodige schrijvers en boeken genoteerd die ik nog niet eerder las en waar Wiener enthousiast over schrijft.
Een paar voorbeelden:
Jeroen Brouwers
P.F. Thomése
F.B. Hotz
Pieter Waterdrinker
A.H.J. Dautzenberg
Merijn de Boer
Theo Thijsen – Kees de Jongen
Gerard Reve – Op weg naar het einde / Nader tot U
Malcolm Lowry – Under the vulcano
F. Bordewijk – Rood paleis

Als iemand nog tips heeft met welk boek of met welke schrijver ik absoluut moet beginnen hoor ik het graag.

L.H. Wiener – De zoete inval
Uitgeverij Pluim, 2020
112 pagina’s

L.H. Wiener – Fallen Leaves: brieven 1966-2016
Atlas Contact, 2018
560 pagina’s

L.H. Wiener – Herinneringen aan mijn uitgevers
Uitgeverij Contact, 2008
176 pagina’s

Facebooktwitterlinkedinmail

2 thoughts on “L.H. Wiener – De zoete inval (+ Fallen Leaves en Herinneringen aan mijn uitgevers)

  1. Hoi Casper, een mooie bespreking! Ik ben sinds januari ook een fan van A.L. Snijders, zie de bespreking op mijn blog: https://erikleest.blogspot.com/2020/01/al-snijders-vijf-bijlen.html. Naar aanleiding van jouw recensie denk ik dat het werk van L.H. Wiener mij ook wel zal bevallen. Ik houd sowieso wel van het werk van de kortere baan, ik vind de roman in Nederland een overschat genre en ik heb het idee dat er in andere genres zoals verhalen en graphic novels, meer interessants gebeurt dan in romans.
    Van de schrijvers die L.H. Wiener noemt ben ik ook een fan van F.B. Hotz, lees bijvoorbeeld zijn verhaal “Proefspel” (of is het proefstuk?). Groetjes, Erik

    1. Ha Erik, dank je wel! Leuk dat je ook fan bent van A.L. Snijders, ik ga je bespreking lezen. Ik denk inderdaad dat het werk van L.H. Wiener jou zeker ook zal bevallen. Beide schrijvers passen goed bij elkaar, dus dat zal voor hun lezers vermoedelijk ook gelden. F.B. Hotz staat genoteerd. Dank voor de tip.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *