Winterlezen #2

Peter van Dongen is, samen met Joost Swarte, de hedendaagse meester van de klare lijn. Dit is de tekenstijl die bekend is geworden door de Kuifje-strips van Hergé. Realistisch, helder, toegankelijk en ogenschijnlijk simpel om te tekenen. Dat simpele valt trouwens wel tegen volgens mij; kijk alleen maar naar het aantal jaren dat het Peter van Dongen kost om een van zijn boeken te maken. Hoe dan ook, ik hou wel van die klare lijn geloof ik en dus ook van het werk van Van Dongen.

Zijn getekende versie van Familieziek van Adriaan van Dis beviel me goed en, aangewakkerd door Alfred Birney’s De tolk van Java, wilde ik nog wel een keer terug naar Indonesië. Gelukkig was er net een nieuwe versie verschenen van Van Dongens eerdere twee boeken over Indonesië, samen gebundeld en voor het eerst ingekleurd onder de titel Rampokan.
Dit boek vertelt het verhaal van een Nederlandse soldaat genaamd Johan Knevel die naar Nederlands-Indië wordt gezonden tijdens de Politionele Acties. Hoewel Johan in Indië is opgegroeid heeft hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland gezeten en daarom kijkt hij vol verwachting uit naar de terugkeer in het paradijselijke land uit zijn jeugd.

Door de avontuurlijk-realistische tekenstijl van Van Dongen en doordat de blonde Johan Knevel ook wel iets wegheeft van Kuifje verwacht je eerst nog eventjes een soort Kuifje in Indonesië te gaan lezen. Maar Van Dongen maakt snel duidelijk dat je daarvoor bij hem aan het verkeerde adres bent. Niks geen blijmoedig avontuur, waarin iedereen kan zien wie goed is en wie slecht. Dat is het ‘m juist, als er één ding duidelijk is over de periode van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd is het het morele drijfzand waarin iedereen verkeert. De Nederlandse militairen denken dat ze met hun superieure wapens en techniek hun Indië wel even zullen zuiveren van dat terroristische gespuis. Zij zijn goed en die ‘ploppers’, zoals zij de Indonesische vrijheidsstrijders noemen, zijn slecht; da’s logisch. Het dubieuze is alleen dat de Nederlanders zich al gauw ook als een stel terroristen gaan gedragen. Dorpen worden platgebrand en men kijkt niet op een doodgeschoten Indonesiër meer of minder.
In dit gewelddadige moeras wordt Johan Knevel gekatapulteerd. Hij wil zijn oude baboe zien te vinden en houdt er daarmee net als veel van zijn kameraden een eigen agenda op na. Zijn zoektocht brengt hem in Boek 1 op Java en in Boek 2 op Celebes, maar het paradijs uit zijn kindertijd krijgt hij er niet mee terug.

Peter van Dongen zet het contrast tussen dat paradijselijke van Indonesië – met al z’n geuren, kleuren en natuur – en de gruwelen van deze onoverzichtelijke periode bijzonder fraai neer. Door de ‘Kuifje-stijl’ heb je erg de neiging met Johan mee te willen leven als de held van het verhaal, maar gaandeweg kom je erachter dat er aan elk personage in Rampokan wel een zwart randje zit, ook aan Johan. Dit maakt het een mooi, maar tegelijkertijd ook best zwaar boek om te lezen. Van Dongen dwingt je met zijn vele lagen in het verhaal tot langzaam lezen en dat is maar goed ook. Dit is geen graphic novel die je in twee uurtjes uit hebt. Daardoor kun je langer genieten van al het moois dat Van Dongen voor ons tekent en word je er des te meer van doordrongen dat oorlog nooit een simpel avonturenverhaal is.

De kleurrijke, sfeervolle tekenstijl van Peter van Dongen vormt een mooi contrast met de droge schrijfstijl van Yasushi Inoue. De grootste Japanse schrijver waarvan je nog nooit gehoord hebt, wordt Inoue wel genoemd. Jaren geleden las ik een boek van hem in het Engels, Tun-Huang. Een prettig originele historische roman waar ik goede herinneringen aan heb overgehouden. Ik was daarom erg blij toen ik hoorde dat de kleine uitgeverij Bananafish twee van Inoue’s novellen in het Nederlands ging vertalen.

Allereerst las ik Het jachtgeweer, een korte, elegant gecomponeerde raamvertelling. Dit is een liefdesgeschiedenis over één man en drie vrouwen en een dichter-verteller die het hele verhaal langzaam uit de doeken doet. De drie vrouwen komen een voor een aan het woord, elk in haar eigen stijl. Via het verhaal van de ene vrouw word je het verhaal van de andere vrouw ingetrokken en zo verder. Inoue heeft het verhaal knap in elkaar gestoken, alles wordt spaarzaam en onderkoeld verteld, waarbij je als lezer steeds precies genoeg krijgt voorgeschoteld om door te willen lezen. Ik heb dit boek de afgelopen tijd al aan verschillende mensen aanbevolen en dat wil ik hier graag nog een keer herhalen: lees Het jachtgeweer.
Je hebt het in een avondje uit, maar het verhaal blijft je bij. Juist omdat er weinig staat, krijgt wát er staat meer betekenis en weet Inoue er op ingenieuze wijze een universeel verhaal over de liefde van te maken. Dit klinkt hoogdravender dan ik het bedoel trouwens. Ik probeer eigenlijk alleen maar te zeggen dat ik het een mooi boek vond. Mooi om het verhaal en mooi door de manier waarop Inoue het vertelt.

Keurig volgens plan verscheen een paar maanden later de tweede vertaling van Inoue, Stierensumo. Een boek met dezelfde onderkoelde stijl als Het jachtgeweer, maar dit keer zit er ook een droogkomische kant aan het verhaal. De flaptekst vergelijkt Stierensumo met Kaas van Willem Elsschot, zowel qua verhaal als qua stijl. Een grappige vergelijking tussen een Japans en een Nederlandstalig boek, maar ik geloof dat ik ‘m wel snap. Beide boeken gaan over een tot mislukken gedoemde onderneming, iets was de hoofdpersonen pas merken als het te laat is.

In Stierensumo organiseert de jonge hoofdredacteur Tsugami een traditioneel Japans stierengevecht. Zijn krant ziet hier een goede publiciteitsstunt in en aan Tsugami de ondankbare taak om dit in goede banen te leiden. Het boek speelt vlak na de Tweede Wereldoorlog (ik lijk iets te hebben met die periode), in een nog grotendeels verwoest Japan. Interessant genoeg herkende ik er ook veel van onze tijd in. Door sociale druk en onrealistische verwachtingen gedwongen verzinkt Tsugami steeds verder in zijn opdracht, totdat hij als een soort zombie alleen nog maar met de stierensumo bezig is. Hij komt uiteindelijk niet met een burnout thuis te zitten, dat deed men niet in die tijd dunkt me, maar zijn relatie met zijn geliefde, Sakiko, komt er flink door onder druk te staan.

Inoue psychologiseert nergens in Stierensumo, hij beschrijft slechts de gebeurtenissen richting het toernooi en de handelingen van de personages. Door dat alles droog en simpel te vertellen geeft hij je als lezer de ruimte om zelf in de hoofden van de personages te kruipen. Wat op het eerste gezicht het verhaal van een mislukte onderneming lijkt, krijgt net als bij Het jachtgeweer gaandeweg veel meer allure. Dit doet me erg denken aan de boeken van Ernest Hemingway, die ook vond dat een schrijver lang niet alles moest vertellen, maar dat je juist veel aan de lezer zelf moest overlaten. Leuk om te zien dat Inoue diezelfde filosofie lijkt te hanteren in deze twee boeken. Ik hoop dat er nog meer van zijn boeken in het Nederlands zullen verschijnen.

Peter van Dongen - Rampokan
Dupuis, 2018
176 pagina's

Yasushi Inoue - Het jachtgeweer
Bananafish, 2018
Oorspronkelijke titel Ryoju, 1949
Vertaald uit het Japans door Jacques Westerhoven
64 pagina's

Yasushi Inoue - Stierensumo
Bananafish, 2018
Oorspronkelijke titel Togyu, 1949
Vertaald uit het Japans door Jacques Westerhoven
112 pagina's














Comments

Comment
Your name/nickname
Your website url
Email
content_comment_captcha
This is a required field
 

reading now


Categories