(Zomerlezen 6)

Een gaswolk doodt al het menselijke en dierlijke leven in een vallei in Kameroen. Een natuurramp uit 1986 die tot op de dag van vandaag niet verklaard is. Destijds deed Frank Westerman al verslag van dit bizarre fenomeen voor de radio en de krant, nu heeft hij zijn nieuwe boek gewijd aan de stikvallei.

Vlak na de ramp leek alles te wijzen op een uitbarsting van de vulkaan onder het Nyos-meer. Nu hangen vele wetenschappers de spontane-ontgassingstheorie aan, een spontane uitstoot van giftige dampen vanuit het kratermeer.
Maar was het wel een natuurramp? Vermoedens van een wapentest blijken ook hardnekkig - President Paul Biya zou hebben toegestaan om een nieuw type bom te testen op zijn eigen bevolking, door de Amerikanen, de Fransen, of zelfs de Israëliërs. Of was het een vertoornde meergod die een reusachtig python-ei op de bodem van het meer heeft stukgeslagen, om de afvallige bevolking te straffen met giftige zwaveldampen?

Om al deze verhalen is het Frank Westerman te doen. Hij is niet zozeer op zoek naar de ultieme waarheid van de ramp in de stikvallei, maar probeert te achterhalen op wat voor verschillende manieren deze ramp is verklaard. Hoe onstaan de verhalen die zo'n gebeurtenis moeten verklaren?
De internationale wetenschappers die de ramp onderzochten lagen vanaf het begin met elkaar overhoop. Opgezwollen ego’s en de hang naar internationale erkenning zorgden al gauw voor verschillende theorieën. De strijd tussen deze wetenschappers - met vulkanologen in het ene kamp en spontane-ontgassingsadepten in het andere - is zowel vermakelijk als gênant. En wat te denken van het legertje missionarissen dat in het gebied actief was? Natuurlijk hebben zij veel goed werk verricht, op het gebied van zorg en opvang voor de slachtoffers, maar zij bleken ook uiterst vakkundig in het gebruik van de ramp voor hun eigen wervingsdoeleinden.
De lokale bevolking blijft er ondertussen vrij stoïcijns onder. Zij hebben helemaal geen tijd om zich met oorzaken bezig te houden, zij proberen te overleven en zo goed als het kan weer een bestaan op te bouwen. Zij mogen echter nog altijd niet terug naar het voormalige rampgebied, maar wonen in tijdelijke onderkomens daar vlak buiten.

Zo doen nog altijd vele verhalen de ronde over deze merkwaardige natuurramp. En, zoals Westerman ondervindt, in al deze verhalen zit wel een kern van waarheid, door de jaren bekleed met vele lagen fictie. Zoals om de rib van Adam zo veel lagen zijn geboetseerd dat je uiteindelijk Eva overhoudt. Westerman heeft hiermee een sterk onderwerp te pakken. Ik denk dat het hem altijd om de oorsprong van verhalen te doen geweest is; als een archeoloog wroet hij in de bodem en beschrijft wat hij daar vindt. In zijn eerdere boeken doet hij dit ook al, maar nog niet eerder heeft hij het zo expliciet benoemd.
Waar Westerman eerder schreef als journalist, lijkt hij in Stikvallei meer schrijver. Hij schrijf meer to the point, in korte hoofdstukjes, maar tegelijkertijd plaatst hij zijn onderwerp in een breder perspectief. Ook de stijl is naar een hoger plan getild. Hier is een schrijver aan het woord die het in zich heeft een breed publiek te bereiken en daar zelf ook van overtuigd is. Zou Frank Westerman stiekem een nieuwe weg zijn ingeslagen?

21 Augustus 2014

De Bezige Bij, 2013
318 pagina's




Comments

In A time of gifts Patrick Leigh Fermor walked from Hoek van Holland through Germany, Austria and Slovakia, first along the Rhine and then along the Danube. The Danube marks the border between Slovakia and Hungary and that is where Between the woods and the water picks up the thread. This book deals with Leigh Fermor’s travels through Hungary and Romania, the part I was looking forward to the most. Transsylvania, that old, oft-contested land, ancient source of myth and fairytales, and further on die wilde Wallachei, wild Wallachia, the old Romanian principality bordered by the Carpathians in the north and the Danube in the south that, to German and Hungarian speaking people, marked the end of Europe and the start of barbarian wilderness.

But first Hungary: crossing the Danube at Esztergom Leigh Fermor heads down to Budapest, where he will spend some days among the same set that had opened their doors for him in Austria and Germany. Barons and counts, all from ancient noble families, who seem quite enamoured of the young Englishman and who gladly write or telephone ahead of his approach to secure him a welcome at the next stay. Between the joys of the Budapest nightlife – ‘Wer nicht liebt Wein, Weib und Gesang der bleibt ein Narr sein Leben lang!’ (p. 184) seems a recurrent motto – Leigh Fermor has time to wonder at the strangeness of the Hungarian language. As always he is interested in the history of the country and all the different peoples who once overran this part of Europe: Huns, Magyars, Avars, Turks and a score of others.

To travel the puszta, the Great Hungarian Plain to the east and south of Budapest, Leigh Fermor borrows a horse called Malek. Malek brings him a long way southeast, across the river Tisza and near the Romanian border. Crossing the border by train, as it is said you’re not allowed to cross by foot, he finds himself in Transsylvania, officially part of Romania since the Treaty of Trianon at the end of WWI. The network of his Hungarian friends stretches far, as Leigh Fermor is once more invited into various country houses. He befriends a young man called István and falls in love with a (married!) girl called Angéla. Patrick, István and Angéla decide to go on a wild car trip through Transsylvania which, to my great delight, is roughly the same trajectory as we travelled two years ago: from Alba Iulia northwards to Cluj Napoca (I will stick to the Romanian place names, since that is how I remember them. Leigh Fermor clearly has fun explaining all the different names for these towns; Apulon-Apulum-Bălgrad-Weissenburg-Karlsburg-Gyulaféhervár-Alba Iulia and Klausenburg-Koloszvár-Cluj). From there east and southwards to Târgu Mureş, Sighişoara and Braşov and past Sibiu westward to the beginning. They find it a rather beautiful trip, as did we.

For Leigh Fermor it is time to travel alone again, from the southwestern part of Transsylvania down towards the dangerous stretch of the Danube called the Iron Gates. Towards the end of the book, once more on the banks of the Danube, Leigh Fermor muses how a little island in the river where descendants of a long-forgotten Ottoman contingent still lived in the 1930’s has now disappeared under water. A huge hydroelectric power plant that was built thirty years later completely changed that stretch of the Danube.
Between the woods and the water
was written and published decades after Leigh Fermor’s journey in 1934 and a sense of loss is prevalent throughout. Many of the places he’d seen would be gone or unrecognizably changed within a few years and many of his friends and acquaintances along the way would be killed or uprooted from their homes (see Jaap Scholten's Kameraad Baron). And yet, despite this sad undertone, the book breathes the adventurous spirit of the young Patrick Leigh Fermor. There’s a genuine appreciation of the beauty of nature, the pleasures of friendship and the depth of historical knowledge one can gain along the way. This combination of youthful enthusiasm and a sadder-but-wiser knowledge of life make these such rich books, books I know I’ll be coming back to in the future. And what’s more, the third and final part of Leigh Fermor’s journey that deals with the final stretch to Istanbul has just been published as The broken road. Reading that will be something to look forward to!
  the Transylvanian road trip


24 February 2014

New York Review Books, 2005
Originally published 1986






Comments

Een boek als inspiratie voor een reis. Vorig jaar Transsylvanië naar aanleiding van Jaap Scholten, dit jaar de Zwarte Zee en Istanbul met Olaf Tempelman.
Vanuit Roemenië de Donau over, Patrick Leigh Fermor in het achterhoofd. Wandelen in het Roetsjoek van Elias Canetti, hedendaags Ruse in Bulgarije. Verder met de trein naar Varna, ons eerste aanknopingspunt met Olaf Tempelman. Een drukke badplaats in het zomerseizoen, maar nu rustig. PSV speelt op alle schermen tegen een Bulgaars team en verliest. Ik laat niet merken dat ik uit Nederland kom. Tempelman beschrijft het zeepark in Varna, een kilometerslange groene strook tussen de zee en de achterliggende stad. Men flaneert er en maakt muziek. Kinderen proberen een piñata stuk te slaan.

Vanuit Varna één dag naar Balchik, Tempelmans tweede stop in Bulgarije. Niet overslaan dit charmante kustplaatsje, want er staat een wereldberoemd paleisje. Wereldberoemd in Roemenië in elk geval. Hier woonde ’s zomers koningin Marie van Roemenië, kleinkind van de Engelse koningin Victoria. Dit stukje Bulgarije was na de Eerste Wereldoorlog een tijdje van Roemenië, waardoor Marie hier haar zomerpaleis wilde hebben. Je voelt de koninklijke eigenzinnigheid; de koningin liet drie verschillende bouwstijlen met elkaar vermengen, inclusief minaret. De nabijgelegen rozentuin ontwierp ze ook. Verderop in Balchik worden ijverig nieuwe appartementen gebouwd. Voor de Roemeense toeristen uiteraard. Het leek ons ook wel een mooi plekje.

Verder richting Istanbul, de omgekeerde volgorde die Tempelman aanhoudt. Hij reist verder noordwaarts langs de Zwarte Zee, bezoekt vergeten vissersplaatsjes in de Roemeense Donaudelta, gaat op zoek naar Isaak Babel in Odessa en Tsjechov in Jalta, weet met wat moeite tot Abchazië te worden toegelaten en draait via Georgië weer linksom richting Turkije en uiteindelijk Istanbul. Wij kozen de kortste route naar Istanbul, tien uur met de bus vanaf Varna.

Istanbul is mooi, Istanbul is druk, Istanbul slaapt nooit, niemand wil weg uit Istanbul. Wij ook niet, maar doen het toch. Uiteraard om snel weer terug te keren, want dat moet. Als je de stad één keer gezien hebt wil je haar vaker zien. Het is niet voor niks dat Tempelman Istanbul gebruikt als begin en eind van zijn reis. Dat zou ik ook doen. Het is het centrum van de hele regio en dat voel je. Onze gids in de stad, werkzaam bij het Roemeens cultureel instituut, vertelde dat zij er nu een half jaar woont. Ze wil er wat haar betreft niet meer weg en is alleen nog op zoek naar een rijke Turkse man.

6 Oktober 2013

Atlas Contact, 2013
Met foto's van Marco van Duyvendijk





Comments

When he was 18 years old Patrick Leigh Fermor made a walking tour across Europe, in the early 1930’s. Crossing the North Sea on board a Dutch ship he started walking from Hoek van Holland and went all the way to Istanbul, carrying just a backpack and a walking stick. Forty years later he wrote two books about this journey, A time of gifts and Between the woods and the water. The second book, which largely takes place in Hungary and Romania, I’d already come across in Jaap Scholten’s Kameraad baron. Scholten, and many others before him, were intrigued and impressed by Leigh Fermor’s descriptions of Europe before the destructions of the Second World War and the rise of communism.

Leigh Fermor had chosen a perfect time for his walk. Traces of the old Europe, from before the First World War, could still be found everywhere and people were more than willing to tell tales about a seemingly more innocent time. The young Leigh Fermor must have been a charming, unimposing young man who, luckily enough, spoke some German and French. Wherever he went people put him up for the night without a fuss. Often, while walking, he got into conversation with farmers or huntsmen, who always managed to recommend him to acquaintances in a neighbouring village. Occasionally, he even ended up in a manor house, at the fireside of an ancient noble family who, fascinated by this young Englishmen’s quest, immediately announced all their friends along the route of his approach. Rather friendly times it seems.

The itinerary of A time of gifts follows the Rhine and the Danube, through Holland, Germany, Austria and Czechoslovakia, and ends with crossing the Danube into Hungary. Bigger cities such as Munich, Vienna and Prague call for longer descriptions, but Leigh Fermor seems most at ease out in the country. Cities offer friendship, culture, the occasional replenishment of a purse that seems to empty by itself, and of course warmth (rather masochistically, Leigh Fermor sets off on his journey in the middle of December and only after crossing half of snow-covered Europe comes upon spring in Hungary).

Walking alone, however, there is ample time to muse on history, language, literature and art, ideally in connection with a nearby castle, monastery or church. It is bemusing to read Leigh Fermor’s enthusiastic descriptions of an old monastery, with a lonely Dominican monk as his guide. The view, the light, the styles of construction, the patience of the builders, the boldness of the designer, the memory of a long-forgotten abbott or bishop; all put together can trigger a lyricism that can go on for pages. Amazing how much someone is able to see in one building. Leigh Fermor shows a huge interest both in culture and people and is, even at such a young age, already highly educated.

Clearly, you shouldn’t forget that what you read has been edited by the mature Patrick Leigh Fermor. Nevertheless, A time of gifts is interesting to read on a variety of levels: for the actual travelling, but also the time, the history and especially the language. It is not for nothing that these two books get mentioned so highly. Leigh Fermor really does write travel literature. If you turn a blind eye on his occasionally florid descriptions it is rather beautifully written, in a high British style. This means long sentences with many sub clauses that can be highly rewarding once you manage to find your way through them. My one complaint would concern my edition of the book, an otherwise nicely printed New York Review of Books Classic: if you do publish a classic travel book, do at least include a map! I managed to find a map that shows the route from Vienna to Budapest, which you can see below.
 
I hope to read the sequel, Between the woods and the water, soon enough, especially because that part deals with Eastern Europe, the area that interests me most.

18 August 2013

New York Review Books, 2005
Originally published 1977



Comments

Begin vorige maand was ik bij de presentatie van het boek Schrijvers op reis, een zomerse verzamelbundel in de reeks Privé-domein. De uitgever hield een praatje, enkele auteurs lazen voor uit hun bijdrage, waarbij de performers onder hen, Christoph Vekeman en Atte Jongstra, de show stalen. Dit wil overigens niet zeggen dat zij de beste stukken geschreven hebben, slechts dat voorlezen een kunst is die lang niet alle schrijvers verstaan. Geen spectaculaire bijeenkomst, maar wel een gemoedelijke en, zoals het een gerenommeerd uitgeefhuis betaamd, op een mooie plek aan de gracht. Waar ik al stiekem op hoopte, geschiedde: exemplaren van het boek werden gul uitgedeeld na afloop. Uiteraard lees je zo’n boek vervolgens.

Schrijvers op reis
bestaat uit korte stukken van levende Nederlandse auteurs. Zij schrijven over hun eerste, mooiste of vreselijkste reis, soms in Nederland, soms ver weg. Reisongemak voert de boventoon. Van de meeste van deze schrijvers had ik nog nooit iets gelezen, dus dit vormde een interessante kennismaking. De beste stukken zal ik kort toelichten.

- Onno Blom. ‘Niemandsdorp’
Leuk stukje over een bezoek aan Gerrit Komrij en diens partner in Portugal. Komrij is zo’n auteur die je veel tegenkomt op andere literatuurwebsites, maar die ik nog moet ontdekken. Een goede aanleiding.
-Ad ten Bosch. ‘Venetiës’
In Venetië met Christiaan Weijts, die over dezelfde reis schrijft. Bekende Venetië-namen als Mulisch, Brodsky en Casanova worden genoemd, plus een verwijzing naar Valeria Luiselli, wat natuurlijk ook mooi is.
-Eva Gerlach. ‘De eerste reis’
Misschien wel het beste verhaal, over emigratie naar Suriname toen Gerlach nog klein was. Dromerig, associatief, mooi. Lijkt me een aanzet tot een groter verhaal.
-Ronald Giphart. ‘Onmogelijke sprongen in een mogelijk gebied’
Goed stuk over geboorte, ziekte en sterfte van kinderen. Via Jeroen Brouwers en Martin Bril naar Gipharts eigen kinderverhalen.
-A.F.Th. van der Heijden. ‘De gebroken pagaai’
Fragment uit een vroeg werk, over een logeerpartij bij grootouders in Amsterdam. Markante, volkse mensen, perfect geobserveerd.
-Arthur Japin. ‘Magonia’
Heel lang geleden dat ik De zwarte met het witte hart las. Japin schrijft wel mooi, over de dood van een vader terwijl moeder en zoon op vakantie zijn in Londen.
-Atte Jongstra. ‘Speedwell cavern. Reisadvies: negatief’
Jongstra las de opening hiervan voor, zeer vermakelijk. Wel meteen het beste stuk van het verhaal, daarna wordt het wat vaag.
-Pauline Slot. ‘Drie huizen’
Bezoek aan de huizen van Vita Sackville-West, Virginia Woolf en haar zus Vanessa. Het huis van de laatste, Charleston, is de locatie van het mooie jeugdboek Soldaten huilen niet van Rindert Kromhout.
-Christoph Vekeman. ‘Monschau’
Het Buitenland voor de eerste keer. Leuk om het na Vekemans geslaagde performance zelf te lezen.
-Christaan Weijts. ‘Zoveel lelijke mensen, in zo’n mooie stad’
Dezelfde reis als Ad ten Bosch. Twee intellectuele Nederlanders kijken neer op het plebs dat en masse Venetië bezichtigt. Zij zijn natuurlijk geen toeristen, wel snobs. Overigens best een vermakelijk stuk, moet ik toegeven. Misschien dat ik Weijts toch eens een kans moet geven.
-Joost Zwagerman
Een zomerbaantje in Bergen aan Zee, uit Zwagermans essaybundel Transito. Ik hou wel van zijn schrijfstijl en de manier waarop hij humor en diepgang weet te combineren.

9 Augustus 2013

De Arbeiderspers, 2013










Comments

Ik had behoefte aan een goed non-fictieboek en kwam uiteindelijk uit bij Geert Maks laatste, Reizen zonder John. Hoewel ik het boek toen het uitkwam links heb laten liggen, was het nu precies wat ik zocht. Iets in de categorie prettig geschreven non-fictie, liefst met het een en ander aan geschiedenis erin verwerkt; vermakelijk én informatief. Ik had natuurlijk uit eerdere ervaring al kunnen weten dat je bij Geert Mak goed zit. Niet dat hij bloedstollende thrillers of fenomenale literatuur schrijft; hij doet het wat kalmer aan. Mak is een verteller, die niet alleen zijn eigen verhaal maar vooral ook dat van anderen kwijt wil. De tussenliggende ruimte vult hij op met leerzame historische uiteenzettingen.
In Reizen zonder John maakt Mak een rondreis door de Verenigde Staten, in de voetsporen van John Steinbeck, de bekende schrijver van Of mice and men en The grapes of wrath. Steinbeck reed in 1960 in een jeep door de VS, samen met zijn hond Charley, op zoek naar het Amerika van die tijd. Dit resulteerde in het reisboek Travels with Charley. Precies 50 jaar later, in 2010, doet Geert Mak deze reis over, op zoek naar de ziel van het huidige Amerika, maar ook naar die van Steinbeck. Een interessante methode om te laten zien wat er in de tussentijd allemaal veranderd is. Mak verweeft vakkundig zijn eigen observaties met die van Steinbeck, met als rode draad de teloorgang van small town America. Tijdens zijn tocht vermeed Steinbeck meestal grote steden. Hij voelde zich meer op zijn gemak op het platteland en in kleine stadjes. Veel van die kleine stadjes, ooit bloeiende gemeenschappen, zijn tegenwoordig verloederd. Banen werden schaars, mensen vertrokken, de middenstand verdween; wat overbleef is vaak een lege huls, vergane glorie. Amerika is nog altijd de grootste economie ter wereld, maar van het karakteristieke Amerikaanse optimisme dat in 1960 nog alomtegenwoordig was is weinig meer over.
Toch is Reizen zonder John geen pessimistisch boek, integendeel. Zo roemt Mak bijvoorbeeld het eeuwige vermogen van de Amerikanen om opnieuw te beginnen. Pak gewoon je spullen en probeer het ergens anders nog een keer is het credo; verfrissend pragmatisch. Het is duidelijk dat Mak een zwak heeft voor dit land en voor de vele gewone, hardwerkende mensen die hij tegenkomt (rijke mensen komen eigenlijk niet aan bod in het boek). Hij verwijst gretig naar de vele schrijvers die hem voorgingen in het beschrijven van Amerika. Met name de boeken van de journalist David Halberstam spraken mij hiervan aan. Maar bovenal maakt Reizen zonder John me nieuwsgierig om zelf eens dat immense land te verkennen, waarvan ik tot nu toe slechts steden heb gezien. Juist op het platteland is veel te zien. Dus huur een jeep en get your kicks on route 66.

3 Mei 2013

Atlas Contact, 2012



Comments

Dit boek speelt met me. Ik kan er geen vat op krijgen. Daar begint het al mee, waar komt die neiging vandaan dingen in hokjes te stoppen, te verklaren: reisboek, autobiografie, essaybundel, of toch een roman? Vanaf het begin had ik geen rust. Valeria Luiselli, een jonge Mexicaanse schrijfster, is op allerlei plekken ter wereld en schrijft daarover. Sommige plekken die ik ken – Venetië, New York – andere die ik niet ken – Mexico-Stad, Mumbai. Ze opent in Venetië, op zoek naar Joseph Brodsky en diens graf. Brodsky opent vervolgens de deur naar Luiselli’s mijmeringen; over andere beroemde schrijvers op die begraafplaats in Venetië en, door ook hen te citeren, nieuwe mijmeringen over slenteren door steden, zoals vele schrijvers dat voor haar deden (onlangs nog Teju Cole); over het schrijven zelf en de drang geliefde boeken te herlezen, wat herinneringen in gang zet over de plek waar je een boek voor het eerst las.
Luiselli schrijft associatief, maar haar boek leest ook associatief. Via de vele citaten en verwijzingen (te veel om te tellen!) droomde ik zelf ook weg. Valse papieren is zo opgebouwd dat je steeds weer heen en weer bladert; waar bevinden we ons nu, welke schrijver was het ook al weer die daar iets over gezegd had. Valeria Luiselli lezen is aanstrepen (in tijden niet meer zoveel aangestreept), wegdromen, terugbladeren; steeds opnieuw. Valse papieren staat vol prikkelend proza. Een boek waar ik zeker nog vaker naar zal terugkeren. Tot slot nog dit citaat, over slenteren per fiets: ‘Alleen wie de wereld vanaf een fiets beziet, kan verkondigen een extravagant-romantische slenterziel te bezitten’ (p. 53).

10 April 2013

Uitgeverij Karaat, 2012
Oorspronkelijke titel Papeles falsos, 2010
Vertaald uit het Spaans door Merijn Verhulst




Comments

Ik had dit boek al een á twee weken geleden definitief weggelegd. Toch wil ik er iets over schrijven. Toen deze biografie een paar jaar geleden uitkwam in Polen onstond er onmiddelijk grote controverse. Domosławski zou één van de grootste Poolse schrijvers, nog maar net dood en begraven, zomaar afgeserveerd hebben. Kapuściński had zowat alles in zijn boeken verzonnen! Interessant natuurlijk, dus het wachten was op de vertaling. Helaas kwam ik daar niet doorheen. Domosławski heeft volgens mij zeer goed beseft dat zijn onderwerp nogal gevoelig ligt en heeft daarom alles uitvoerig onderzocht. Zijn streven zo objectief mogelijk te werk te gaan komt de leesbaarheid van het boek echter niet ten goede. Het is simpelweg te uitgebreid. Beginnend bij diens jeugd houdt Domosławski alles wat er over Kapuściński’s leven bekend is – en dat is veelal wat de schrijver er zelf over heeft opgeschreven – tegen het licht. Hij laat familie, vrienden en getuigen aan het woord die vaak een andere kijk op de zaak hebben. Zo wordt alles telkens van meerdere kanten belicht. Dit soort muggenzifterij is niks voor mij. Ik zou ook niet weten van welk persoon ik zo’n soort biografie wel zou willen lezen. Wellicht is interesse in biografieën enigszins leeftijdgebonden en komt dit voor mij nog. Voorlopig keer ik terug naar Kapuściński’s werk zelf.

4 April 2013

De Geus, 2013
Oorspronkelijke titel Kapuściński: non-fiction, 2010
Vertaald uit het Pools door Greet Pauwelijn



Comments

Ik was al een tijdje geleden in dit boek begonnen en had het toen weggelegd. Westermans eerdere boeken, Ingenieurs van de ziel en De graanrepubliek zijn me goed bijgebleven – zeker de eerste – maar El Negro en ik begon me te warrig. Het boek gaat over de zoektocht naar El Negro, een opgezette Afrikaan in een Spaans museum. Westerman raakt gefascineerd door deze Afrikaanse man en probeert te achterhalen hoe dit inmiddels genant bevonden museumstuk ooit in Europa verzeild geraakt is. Wie was El Negro? Westerman wisselt deze zoektocht af met fragmenten uit zijn eigen leven. Hij wilde ooit ontwikkelingswerker worden en kwam tijdens zijn studie in Jamaica en Peru. In zijn latere carrière als journalist komt hij voor een reportage ook terecht in het door burgeroorlog geteisterde Sierra Leone.
In eerste instantie raakte ik door deze uitstapjes de draad kwijt van het boek. Pas nadat ik El Negro en ik voor een tweede keer ter hand nam begon ik te begrijpen waarom Westerman voor deze fragmentarische opbouw heeft gekozen. Het gaat niet zozeer om El Negro zelf, maar om meer algemene zaken als kolonialisme, ras en slavernij. El Negro is Westermans aanleiding om verschillende van zijn interesses met elkaar te verbinden. De observaties uit zijn eerdere leven, die soms twintig jaar eerder spelen, laten zien hoe die interesses zijn onstaan.
De daadwerkelijke zoektocht naar El Negro vond ik de minst interessante stukken in het boek opleveren. Juist waar Westerman uitwaaiert, persoonlijke observaties koppelt aan eerdere reizigers en wetenschappers, daar wordt het interessant. Zo maakt hij melding van Saartjie Baartman, de ‘Hottentot Venus’, bij leven een circusattractie waar het publiek gretig op af kwam (voornamelijk vanwege haar uit de kluiten gewassen achterwerk), na haar dood geprepareerd en bewaard als wetenschappelijk curiosum. De passage over de Duitse apotheker in Zuid-Afrika, die begin 19e eeuw een zojuist begraven Afrikaanse vrouw opgraaft en haar stoffelijk overschot ingepekeld in een ton naar Europa stuurt, sprak ook erg tot de verbeelding, hoe gruwelijk ook. Het hoofdstuk in Sierra Leone bracht goede herinneringen terug aan The shadow of the sun van Ryszard Kapuscinski, een boek waar vele Afrikaanse burgeroorlogen in voorkomen.
Westerman heeft op het einde van zijn zoektocht, in Zuid-Afrika, ook een ontmoeting met Antjie Krog, wier werk ik nog niet bekend mee ben, maar waar ik wel nieuwsgierig naar werd. Naast deze schrijfster kreeg ik zin om ouder werk van V.S. Naipaul, J.M. Coetzee en Mario Vargas Llosa te lezen, plus The memory of love van Aminatta Forna, een recente roman die in Sierra Leone speelt. En, als laatste, misschien nog wat meer van Frank Westerman zelf.

Aanraders uit El Negro en ik:
    Antjie Krog – Country of my skull
    V.S. Naipaul – A bend in the river
    Mario Vargas Llosa – De geschiedenis van Alejandro Mayta
    Joseph Conrad – Heart of darkness
    Claude Lévi-Strauss – Het trieste der tropen
    Eduardo Mendoza - De stad der wonderen
    Ryszard Kapuscinski – Ebbenhout / The shadow of the sun

28 Febuari 2013

Atlas, 2005
Oorspronkelijk verschenen 2004













Comments

(oorspronkelijk gelezen 26-10-2011) (citește în română)

Naar aanleiding van Kameraad baron hebben we in september 2012 een reis door Transsylvanië gemaakt, met de auto. We bezochten enkele plaatsen die Jaap Scholten ook aandoet in zijn boek. Maar hoe kom je na het lezen van een boek tot een daadwerkelijke reis?
In het begin moest ik nogal wennen aan het onderwerp. “Een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristocratie”, zoals de ondertitel luidt, deed mijn hart niet onmiddelijk sneller kloppen. Ik kreeg pas zin om het boek te lezen toen Jaap Scholten, samen met Ernest van der Kwast, een avond verzorgde onder de naam Baron Tandoori (Tandoori naar het boek van Van der Kwast, Mama Tandoori). L., die er ook bij was die avond, raakte enthousiast, kocht Kameraad baron en wist onmiddelijk een mooie opdracht door Jaap Scholten te versieren. Zij las het en spoorde mij aan hetzelfde te doen.
Kameraad baron behandelt drie periodes uit de geschiedenis van de Transsylvaanse aristocratie: voor, tijdens en na het communisme. De scheidslijn valt op 3 maart 1949, als in één nacht alle grootgrondbezitters door de communisten worden opgepakt, hun land wordt onteigend en ze een verplichte huisvesting krijgen. Scholten spreekt vele leden van de voormalige Transsylvaanse adel; mensen die 1949 zelf nog hebben meegemaakt en hun nakomelingen. Via de oudste overlevenden hoort hij hoe hun leven was voor de oorlog en de komst van de communisten. Transsylvanië viel na de Eerste Wereldoorlog toe aan Roemenië, maar de aristocratie was nog grotendeels van Hongaarse origine. Zij leefden in weelde, in paleizen en landhuizen, en stonden in hoog aanzien bij de lokale bevolking. Door de Tweede Wereldoorlog was hier al weinig meer van over; velen probeerden te vluchten voor de oprukkende Russen. Maar na die nacht in 1949 was alles voorgoed voorbij. Ieder die van adel was en dus tot de staatsvijandige grootgrondbezitters werd gerekend door de communisten kreeg een Domiciliu Obligatoriu toegewezen, een verplichte verblijfplaats waar zij niet vandaan mochten en zich elke ochtend moesten melden. Sommigen werden elders tewerkgesteld, zoals bij het beruchte Donau-Zwarte Zeekanaal, maar de meesten verbleven onder erbarmelijke omstandigheden in enkele steden in Transsylvanië. Vaak in een vochtige kelder met het hele gezin, terwijl ze voor bijna geen enkel werk meer in aanmerking konden komen.
Scholten spreekt een aantal overlevenden van deze periode – eigenlijk alleen nog maar vrouwen, de mannen zijn veelal in werkkampen omgekomen – in de steden Cluj en Târgu Mureş. Ook bezoekt hij enkele voormalige familiebezittingen, landgoederen en huizen. Sommigen proberen hun familiegrond weer terug te claimen van de Roemeense staat, of in elk geval het familiehuis, voor zover dat nog overeind staat. Het zal niemand verbazen dat dit zeer lastig is. Vele zaken lopen al jaren, maar meestal zonder succes.
Dit alles maakt Kameraad baron tot een weemoedig boek, waarin nostalgie naar een verloren tijd wordt afgewisseld met cynisme over de huidige situatie. Ik vond het echter ook een inspirerend boek. Om een en ander met eigen ogen te zien verbleven we enkele dagen in Cluj en Târgu Mureş (Koloszvár en Marosvásárhely in het Hongaars), de twee steden in Transsylvanië die Jaap Scholten ook veelvuldig aandoet, omdat daar enkele van de oudste nog levende leden van aristocratische families wonen. Wandelend over oude pleinen en straten proef je nog een beetje de veelzijdige, multiculturele sfeer die er honderden jaren gehangen moet hebben. Nog altijd woont hier een grote groep Hongaren en spreken veel mensen zowel Roemeens als Hongaars (hoewel het spreken van de andere taal soms gepaard gaat met enige weerzin). Tevens bezochten we het Bánffy kasteel, dat een aantal keer in het boek ter sprake komt. Ooit een beroemd paleis, inmiddels een tamelijk deprimerende ruïne. Het wordt weliswaar gerestaureerd, maar niemand weet tot wanneer hier nog geld voor beschikbaar is. Zeker op zo’n plek is de weemoed uit het boek goed te begrijpen.

het Bánffy kasteel

Logischerwijs, gezien zijn onderwerp, neemt Scholten eerder een pro-Hongaars dan een pro-Roemeens standpunt in. Uit angst voor eventuele represailles door voormalige Securitate-leden heeft één van Scholtens oudste bronnen hem daarom verboden het boek bij haar leven in het Roemeens te laten vertalen. Zo is het een geschiedenis die nog altijd voortleeft. Ook ik wil me er nog wat meer in verdiepen en heb inmiddels de vorig jaar vertaalde klassieker Geteld, geteld van Miklós Bánffy klaarliggen, met een voorwoord van Jaap Scholten.

de centrale boulevard in Târgu Mureş

3 Februari 2013

Uitgeverij Contact, 2011
Oorspronkelijk verschenen 2010








Comments (1)
 

reading now


Categories