Olivia Manning, a young and aspiring British writer, falls in love at the end of the 1930’s. She’d met the highly energetic socialist R.D. (Reggie) Smith and marries him within weeks. Just before the outbreak of the Second World War Reggie is recalled to his post as British Council lecturer in Bucharest. The newly-married couple decide to travel together to Romania and settle there for a while. The War comes gradually closer, however, and after barely a year in Romania they are forced to flee to Greece. As the Germans move to invade Greece the Smiths manage to cross the Mediterranean and land in Egypt. The remainder of the War they will spend in Cairo and Jerusalem, where Reggie finds employment with the Palestinian Broadcasting Service.

Manning quickly decided she should turn her war experiences into a book. Despite making extensive notes and drafts during the whole period and having an excellent memory for recording every detail, it took her twenty years to come up with the right form. She abandoned the autobiographical form and decided to turn everything into one big 'historical' novel instead. Of this I’ve now read the first part, called The Balkan Trilogy.
We meet Guy and Harriet Pringle as they journey by train to Bucharest. They’ve recently married in England and after a quick honeymoon continue to Romania where Guy holds a job as an English lecturer. At first Harriet is thrilled at her new life in this strange city. In those days Bucharest had a decadent streak and the young couple, part of the well-respected British community, get invited to quite a few parties, dinners and luncheons where food and drink are lavishly available to all. At the same time beggars and cripples can be seen on every street, not too shy to cling to the skirts of a rich foreign lady to produce a few lei.
Harriet slowly gets to know the man she’s married. Guy, a man of limitless energy, feels best among a crowd of people and is always out making new friends. Most people love him for this. Marriage, to Guy, mostly means that Harriet ought to support her husband in all his activities, be a chum or a comrade to him. Not as naturally sociable, she’s bound to observe somewhat grudgingly from the sideline and is, more often than not, made to feel quite neglected.
In the meantime the War engulfs Europe and Romania is slowly invaded by a sense of doom. More and more people lean towards Germany for protection against the Soviet Union that has long since had its eye on the Romanian territories. The once-ridiculed Iron Guard, pro-German fascists, now march openly through the streets of Bucharest. When King Carol abdicates and the Iron Guard leader Antonescu takes control of the country the German army is expected to invade Romania any day. The remaining British citizens are forced to flee the country. Harriet boards a plane to Greece and a week later Guy joins her in Athens.
For a while a sense of bliss enters the Pringles’ lives again. Harriet quickly falls in love with the Greek people and really wants to make Athens their home. Their happiness is not meant to last long though. The War seems to follow them wherever they go. The Greeks have successfully defeated an invading Italian army, only to find Italy’s powerful ally Germany against them. It is only a matter of time before the German army marches across the Greek border. Once again the Pringles have to flee. They manage to board the last evacuation ship transporting the British colony towards Egypt, where Britain is still strong.

This is where The Balkan Trilogy leaves off, after more than a thousand pages. Almost two years have passed for Harriet and Guy after we’ve first met them. Manning has recorded all of their experiences in intensely detailed prose. While Harriet meets new sights and sounds a great cast of characters fills her life. Manning has a good eye for both. I can hear the gypsy flower sellers on the Bucharest street corners, smell the food stalls in Cişmigiu park and feel the arctic breeze blow through the wide şoseaua’s in winter. It’s great to read so much about pre-Communist Bucharest actually. It makes me want to pick up Mihail Sebastian's journals again, who walked those same streets and even ate in the same restaurants if I'm not mistaken.
The Balkan Trilogy really is one of those books you can live in for a while. Because of its length and amount of detail my pace of reading fell down a few times, so in the end it took me almost two months to finish, but after spending so much time with one book I already miss it. Fortunately there’s a 1000-page sequel to The Balkan Trilogy, called The Levant Trilogy. It’s comforting to know I can read more about Guy and Harriet whenever I want, although I think I’ll leave them alone in Egypt for a little while.

16 December 2014

Arrow Books, 2004
Originally published separately in 1960, 1962 and 1965 (as one volume in 1981)
1033 pages





Comments

Mira Feticu (Breaza, 1973) debuteerde in 1993 in Roemenië met een dichtbundel, maar legde zich daarna toe op het schrijven van verhalen. In haar geboorteland werkte ze als radiomaker en publicist. Als een van de weinigen interviewde ze Herta Müller voor de radio toen er nog nauwelijks iemand in de latere Nobelprijswinnares was geïnteresseerd. Haar huwelijk bracht Mira Feticu naar Nederland, waar ze na een worsteling met het land en de taal in het Nederlands begon te schrijven. Op 18 april 2013 verscheen De ziekte van Kortjakje.
(bron www.mirafeticu.nl)

Interview met Jacob de Zoet, april 2014

Wie ben je?

De laatste jaren is het enige antwoord dat mij een soort rust geeft tijdens slapeloze nachten, dat ik de moeder van mijn dochter ben!

Sinds wanneer schrijf je? Was er een moment dat je dacht, nu ben ik een schrijver?

Je bent al schrijver voordat je je eerste boek publiceert. Waarom? Omdat jouw oog anders ziet dan andere ogen; omdat je een week lang op een zin blijft kauwen en je de obsessie hebt om een detail uit te werken tot een hele puzzel. Ik herinner me hoe geweldig ik me voelde in mijn studententijd toen mijn favoriete docent mij complimenteerde dat ik het oog van een schrijver heb.
Toen ik zeven jaar oud was, heeft mijn vader me een keer geholpen om een verhaal te schrijven over een konijn. Hij maakte er zo’n mooi verhaal van dat ik enorm jaloers op hem werd. Ik zag het konijn helemaal voor me. En dat doe ik nog steeds. Dat was het beslissende moment, waarop ik precies wist wat me te doen stond. Van het gesprek met mijn vader heb ik geen detail vergeten. Ik weet nog precies op welke stoel hij toen zat en waar hij mee bezig was; ook de kleur van de stoel, het moment van de dag, zijn blik en mijn emoties: ik wou ook zo mooi kunnen vertellen!
In Roemenië, bij het verschijnen van mijn tweede boek, wist ik dat ik nooit meer zou kunnen stoppen met schrijven. De wetenschap dat je door een klein verhaal de harten van zoveel mensen kunt bereiken, zoveel kracht in een zin kunt leggen, had me voorgoed veroverd. In een boek kun je zeggen wat je misschien nooit in het echt zou doen, maar wat wel in je hersenen speelt. En door te schrijven geef je een stem aan wie geen stem heeft of geen kans heeft om gehoord te worden.

Schrijf je spontaan, op inspiratie, of hou je een strak ritme aan?

Inspiratie is als een orgasme bij seks: altijd welkom, maar niet vereist. Schrijven is belangrijker dan wachten op inspiratie. Maar oefening baart kunst. En je hebt, inderdaad, goede dagen en slechte dagen bij het schrijven.

Schrijf je alleen nog maar in het Nederlands of ook in het Roemeens? Hoe is het om in een taal te schrijven die niet je moedertaal is?

Mijn eerste Nederlandse korte verhaal heb ik geschreven na het bijwonen van een lezing van Kader Abdolah. Ik heb toen tegen mezelf gezegd: wat hij kan, kan ik ook. Ik voelde toen, vijf jaar geleden, een enorme ontlading en in trance heb ik toen een kort verhaal vol seks en geweld geschreven, dankbaar voor elk Nederlands woord dat in mij opkwam. Ik had daarvoor al wel gedichten in het Nederlands geschreven, vrij snel na mijn komst hier, na drie jaar, met weinig woorden, haiku’s bijna, maar wel in het Nederlands. Achteraf beschouwd was het een overlevingsproces, denk ik, als je drie jaar nadat je een nieuwe taal begint te leren, in die taal gedichten gaat schrijven.
Mijn journalistieke werk (columns, artikelen) bevat geen enkel Roemeens woord en dat vind ik een heel interessant verschijnsel. Als journalist ben je direct verbonden met de werkelijkheid en ook de taal die ik gebruik, is de taal van die werkelijkheid. De hersenen zijn wonderlijk, ze leggen wel degelijk een verband tussen taal en geografie. Ik heb wel moeite om van taal te switchen; het gaat dus niet spontaan als ik het over mijn verleden heb, mijn verre (sic!) verleden in mijn geboortedorp. Alsof de taal een gps-signaal is, heeft de Nederlandse taal geen bereik in mijn dorp. Maar gaan schrijven in het Nederlands was een bewuste beslissing en ik weet nog steeds niet zeker of dat geen zelfmoord is. Immers, de taal waarin je schrijft verandert je. De werkelijkheid hier heeft een ander mens van mij gemaakt, samen met de taal.
Vanochtend kwam onze dochter ons, mijn man en mij, een bizar plaatje uit een tijdschrift laten zien, iets met een reuzenrad. ‘Oh, mijn God!’ zei ik in het Nederlands. ‘Doamne fereste!’ was de Roemeense reactie van mijn Nederlandse man. Dezelfde tekst, maar in verschillende talen. Een andere taal spreken dan je moedertaal is iedere dag is een heel interessant fenomeen.
Ik hoor mezelf weleens Nederlandse woorden in de mond van mijn 200% Roemeense moeder leggen, wanneer ik iets over haar vertel. Dat is dan zo ongeloofwaardig, in werkelijkheid kan ze alleen een net ‘nee’ zeggen, maar in mijn manier van denken anno 2014, in het Nederlands, kan het gewoon. Dat doet een nieuwe taal met je, hij verandert je werkelijkheid. Ik ben nieuwsgierig wat voor toekomst we zullen hebben, de Nederlandse taal en ik, want voorlopig wonen we samen, maar zijn we niet getrouwd.
Maar ik droom nog altijd dat ik een opdracht uit Roemenie krijg om een lang stuk in het Roemeens te schrijven.
Ik ben heel hard geweest met mezelf toen ik vijf jaar geleden een echtscheiding tussen mij en mijn taal aanvroeg, om verder te gaan met de Nederlandse taal. Niet dat de Nederlandse taal beter dan mijn Roemeense is, maar ik leef nu hier en ik citeer nu dus uit Couperus en niet meer uit Creanga. De journalist in mij heeft de taal gekozen, ik leef connected en ik wil mijn gedachten kunnen uitspreken in de taal die iedereen hier spreekt. Maar bidden doe ik in het Roemeens, als ik alleen ben. Vrijen doe ik in het Nederlands. Dromen in beide talen.
Ofwel: schrijven in een nieuwe taal is net een huwelijk: je werkt er iedere dag aan.

In welke taal lees je het liefst? Zijn er Roemeense auteurs waarvan je vindt dat ze absoluut in het Nederlands vertaald moeten worden, maar dat nu nog niet zijn? En andersom, uit het Nederlands?

Zeventig procent van wat ik lees, is in het Nederlands. De Nederlandse literatuur leerde ik al kennen in Roemenië. Al in Boekarest las ik, negen jaar geleden, Margriet de Moor, Leon de Winter, Cees Nooteboom.
Andersom, ja, zou ik zo graag willen dat iedereen hier in de Roemeense literatuur geïnteresseerd raakt. Maar dat zit er niet in, helaas, we gaan niet verder dan de stereotype Dracula, de skimmers, en ja, al is het niet iedereen, Ceaușescu. Ik vertel altijd met veel enthousiasme over de mooie cultuur die het Roemeense volk heeft en die het ook verdient om bekend te worden!
De laatste jaren in Roemenië was ik helemaal in de ban van gevangenisliteratuur en memoires, getuigenissen van dissidenten en politieke gevangenen. Mijn dorst is nog niet gelest, dat soort boeken zou ik graag in het Nederlands vertaald willen zien. Ik ben een groot fan geweest en gebleven van het Roemeense equivalent van wat hier de ‘Privé-Domein’-reeks heet. Doina Jela, Monica Lovinescu, Virgil Ierunca waren namen die ik negen jaar geleden las.

Wat zijn de belangrijkste boeken in je leven?

Op mijn werktafel liggen altijd Yourcenar, Gombrowicz, Borges. Alle drie hebben ze mijn leven veranderd, ik lees ze en herlees ze met het gevoel dat ik ze persoonlijk heb gekend. Het is voor mij plausibeler dat Gombrowicz morgen bij me op de koffie komt dan dat ik morgen de tram neem en een aardig gesprek met Wilders heb (hij woont niet ver bij mij vandaan, heb ik begrepen).
Lees de boeken van Yourcenar, wat een open geest! Lees haar interviews met Matthieu Galley, die zij gaf vlak voor haar dood! God moet heel trots op zichzelf zijn geweest nadat hij haar geschapen had! In een ander leven zou ik graag brood voor haar willen bakken en in een hoekje bescheiden naar haar zitten luisteren! De Yourcenar van haar laatste jaren draag ik voor altijd in mijn ziel: haar liefde voor de natuur, voor elk schepsel van God, haar liefde voor de armen, voor degenen die het NIET gemaakt hebben in het leven (een gevoel dat je in Nederland niet op alle straten tegenkomt).
Ik voelde me gemakkelijker in het leven nadat ik Gombrowicz heb leren kennen. Anders zijn, jezelf accepteren, geen doek over je tekortkomingen trekken, Anders, Anders, Anders durven te zijn! Zijn dagboek heb ik gelezen als een Bijbel. Ik heb gehallucineerd dat ik hem zag en sprak. Ik zou verbaasd zijn als we elkaar tegenkwamen en hij me niet herkennen zou! (Hij is allang dood, hoor, ik weet het.)
En Borges met zijn gedichten, korte verhalen en essays.

‘Ik heb de grootste van de zonden die er zijn
bedreven. Ik was niet gelukkig. Mogen
de gletsjers van het vergeten mij het ravijn
in sleuren, wissen, zonder mededogen.’

Wat kan er nog meer zijn?

Ik hou ook van Edward Said (‘Ontheemd’), Berberova, Malamud, Julia Kristeva, maar mijn eerste liefde is Homerus. Ik ken steeds minder verzen uit de ‘’Ilias’’ uit mijn hoofd (in het Roemeens), maar dat heeft alleen met mijn geheugen te maken. Mijn liefde voor hem is volledig intact en voor het leven.

Welke hedendaagse schrijvers heb je hoog zitten?

Ik lees met belangstelling Alain de Botton. Met een zekere jaloezie lees ik de werken van Marja Pruis, ooit wil ik een biografie schrijven zoals Marja Pruis heeft gedaan. Zij zou verplichte lectuur voor studenten moeten zijn en niet alleen voor studenten Letteren. Hoe zij haar ‘onderwerp’ van de biografie ziet, hoe zij hem terug naar het leven brengt! Haar boeken houden mijn enthousiasme voor de Nederlandse literatuur in leven, ze is een aanwinst op mijn lijst. Ik zou graag haar willen zijn om een biografie te kunnen schrijven over een Roemeense dichteres die na de Roemeense Revolutie zelfmoord pleegde.

Nog twee namen: Rascha Peper en Sanneke van Hassel.

Hoe dichtbij komen je eigen boeken voor jou?

Eenmaal gepubliceerd zijn ze niet meer van mij. Wel door mij geschreven, maar ter adoptie aan de lezer afgestaan. Daarom begrijp ik de vergelijking ‘dat een boek je kind is’ niet. Een boek is immers een product dat je aan vreemden geeft. Anderzijds blijven het mijn boeken, ze handelen over mijn eigen Roemenië en mijn eigen angsten en trauma’s, dromen en hopen. Ze blijven een deel van mij. Deels zijn ze ook autobiografisch, maar de vrouw in mijn boeken is niet dezelfde als degene die nu de woorden schrijft. Ik ben heel blij dat de boeken gelezen worden, ik ben elke lezer dankbaar, wie hij ook is. Van alle feedback die ik heb gekregen, heb ik nu twee reacties in mijn hoofd: iemand schreef me dat hij in zijn leven alleen de Bijbel en mijn boek ‘De ziekte van Kortjakje’ heeft gelezen. En een ander schreef dat hij het boek, na tot pagina 60 te zijn gekomen, na zoveel seks, bij het vuilnis heeft gegooid, maar dat hij van mij wel graag meer zou willen horen over mijn Roemenië. Een andere lezer, met wie ik intussen bevriend ben geraakt, vertelde me dat hij door ‘De ziekte van Kortjakje’ heeft begrepen hoe “grenzeloos en toch beheerst” ik eigenlijk ben. Dus je schrijft en publiceert een boek en door de lezer komt het boek steeds naar jou terug.

Voor welk boek, behalve die van jou, moeten we nu allemaal naar de winkel rennen?

Mooi dat je zegt ‘behalve die van jou’. Want ja, als je iets anders dan Dracula wil weten over Roemenië moet je mijn boeken lezen!
Ik zou altijd in de rij staan voor de volgende, naast natuurlijk Yourcenar, Gombrowicz, Borges: Ljoedmila Oelitskaja, Max Blecher, Ilf en Petrov, Ismail Kadare, Italo Calvino, Marina Tvetaeva, Flaubert, Berberova, Almudena Grandes.
Maar wie leest moet echt beginnen met Homerus, ik noemde hem al, met Dante en met het Gilgamesj-epos. Hoe kun je literatuur lezen als je geen Dante hebt gelezen?
De laatste jaren lees ik meer non-fictie dan fictie en ik herlees meer dan ik lees. Veel geschiedenis, psychologie. Mijn appetijt voor geschiedenis is weer een verworvenheid van de laatste jaren.

Wat doe je het liefst als je niet schrijft?

Alsof ik eerst schrijf en daarna leef. Nee, eerst leef ik, eerst vivere deinde philosophari: ik heb een dochter, man, hond, kat, mijn werk in de bieb. Maar als mijn man boos op me is, zegt hij weleens dat ik alleen maar aan het schrijven ben. Als ik dat hoor ben ik trots op mezelf, want ja, ik wil iedere dag kunnen schrijven. Dit is een droom, mijn droom: iedere dag twee uur schrijven! Maar om te kunnen schrijven moet je kunnen leven, anders maak je een origami met letters.
Ik heb lange gesprekken met mijn dochter van 11, laat de hond uit, luister hoe de eenden in het water springen, ik kook, ruim op, maak plannen, werk in de bieb, zit op de bank met mijn man wanneer ons dat lukt en ja, ik probeer iedere dag te schrijven, zeker 3-4 dagen per week!

Wat brengt de toekomst voor Mira Feticu?

Ik hoop: gezondheid om veel boeken te kunnen schrijven!
En… binnenkort rond ik mijn derde boek af!

Bibliografie:

2012     Lief kind van mij (De Geus)
2013     De ziekte van Kortjakje (De Geus)
2014     Nieuw boek gepland


















Comments

Een jong stel vlucht uit Roemenië en zoekt het geluk in West-Europa. Het zijn de jaren ’80 van de vorige eeuw, Roemenië zucht onder Nicolae en Elena Ceauşescu. Het communisme zou nog maar een paar jaar standhouden, maar op dat moment lijkt er geen einde te komen aan de doffe, grijze ellende. Remus en Florica doen iets wat absoluut niet mag: ze worden verliefd. Zij is een zigeunerin, een Rroma, en hij niet. Vermenging tussen Roemenen en Rroma bestond niet, kon niet, mocht niet. Florica en Remus ondervinden dit gauw genoeg. Ze moeten vluchten, weg uit het communistische Roemenië en richting het vrije Westen. Voor Florica betekent dit dat haar familie haar voorgoed zal verstoten. Maar veel geluk en een beetje wijsheid komen ze in de trein naar Triëst terecht; Italië lonkt en daarmee de vrijheid.

Dan kantelt het verhaal. Nog een half boek te gaan en opeens zijn we meer dan tien jaar verder. Er volgen belevenissen in Italië, Spanje en zelfs in Nederland, maar ik lijk de boot ergens te hebben gemist. De jonge auteur Stefan Popa wil in dit gedeelte van het boek nog van alles vertellen en lijkt de controle over zijn verhaal wat te verliezen. Voor een debutant in de Nederlandse letteren vind ik het bewonderenswaardig om te willen openen met een groots en meeslepend boek, maar daarvoor had de eerste helft van Verdwenen grenzen al volstaan. Het gedeelte in Roemenië en de vlucht daarvandaan vond ik interessant en zeer onderhoudend, al zou iemand die zelf uit Roemenië komt dit wat uitgekauwd kunnen vinden. Het tweede deel van het boek werkt bevreemdend en roept voornamelijk vragen op. Hoewel de hoofdstukken in Nederland soms erg vermakelijk zijn was ik mijn eerdere leesplezier hier kwijt. Aan het eind slaat Popa weer een bruggetje richting Roemenië, maar dat blijft wat vaag.

Ik denk dat we er een originele verteller bij hebben in Nederland (ik zeg verteller, omdat het Popa meer om inhoud dan om stijl lijkt te doen), iemand die wat anders te bieden heeft dan intellectueel navelstaren in het Amsterdamse. Als Stefan Popa de kunst van het weglaten wat meer in de vingers krijgt hebben we aan hem een hele goeie.

24 Maart 2014

Uitgeverij Link, 2014
454 pagina's



Comments

In A time of gifts Patrick Leigh Fermor walked from Hoek van Holland through Germany, Austria and Slovakia, first along the Rhine and then along the Danube. The Danube marks the border between Slovakia and Hungary and that is where Between the woods and the water picks up the thread. This book deals with Leigh Fermor’s travels through Hungary and Romania, the part I was looking forward to the most. Transsylvania, that old, oft-contested land, ancient source of myth and fairytales, and further on die wilde Wallachei, wild Wallachia, the old Romanian principality bordered by the Carpathians in the north and the Danube in the south that, to German and Hungarian speaking people, marked the end of Europe and the start of barbarian wilderness.

But first Hungary: crossing the Danube at Esztergom Leigh Fermor heads down to Budapest, where he will spend some days among the same set that had opened their doors for him in Austria and Germany. Barons and counts, all from ancient noble families, who seem quite enamoured of the young Englishman and who gladly write or telephone ahead of his approach to secure him a welcome at the next stay. Between the joys of the Budapest nightlife – ‘Wer nicht liebt Wein, Weib und Gesang der bleibt ein Narr sein Leben lang!’ (p. 184) seems a recurrent motto – Leigh Fermor has time to wonder at the strangeness of the Hungarian language. As always he is interested in the history of the country and all the different peoples who once overran this part of Europe: Huns, Magyars, Avars, Turks and a score of others.

To travel the puszta, the Great Hungarian Plain to the east and south of Budapest, Leigh Fermor borrows a horse called Malek. Malek brings him a long way southeast, across the river Tisza and near the Romanian border. Crossing the border by train, as it is said you’re not allowed to cross by foot, he finds himself in Transsylvania, officially part of Romania since the Treaty of Trianon at the end of WWI. The network of his Hungarian friends stretches far, as Leigh Fermor is once more invited into various country houses. He befriends a young man called István and falls in love with a (married!) girl called Angéla. Patrick, István and Angéla decide to go on a wild car trip through Transsylvania which, to my great delight, is roughly the same trajectory as we travelled two years ago: from Alba Iulia northwards to Cluj Napoca (I will stick to the Romanian place names, since that is how I remember them. Leigh Fermor clearly has fun explaining all the different names for these towns; Apulon-Apulum-Bălgrad-Weissenburg-Karlsburg-Gyulaféhervár-Alba Iulia and Klausenburg-Koloszvár-Cluj). From there east and southwards to Târgu Mureş, Sighişoara and Braşov and past Sibiu westward to the beginning. They find it a rather beautiful trip, as did we.

For Leigh Fermor it is time to travel alone again, from the southwestern part of Transsylvania down towards the dangerous stretch of the Danube called the Iron Gates. Towards the end of the book, once more on the banks of the Danube, Leigh Fermor muses how a little island in the river where descendants of a long-forgotten Ottoman contingent still lived in the 1930’s has now disappeared under water. A huge hydroelectric power plant that was built thirty years later completely changed that stretch of the Danube.
Between the woods and the water
was written and published decades after Leigh Fermor’s journey in 1934 and a sense of loss is prevalent throughout. Many of the places he’d seen would be gone or unrecognizably changed within a few years and many of his friends and acquaintances along the way would be killed or uprooted from their homes (see Jaap Scholten's Kameraad Baron). And yet, despite this sad undertone, the book breathes the adventurous spirit of the young Patrick Leigh Fermor. There’s a genuine appreciation of the beauty of nature, the pleasures of friendship and the depth of historical knowledge one can gain along the way. This combination of youthful enthusiasm and a sadder-but-wiser knowledge of life make these such rich books, books I know I’ll be coming back to in the future. And what’s more, the third and final part of Leigh Fermor’s journey that deals with the final stretch to Istanbul has just been published as The broken road. Reading that will be something to look forward to!
  the Transylvanian road trip


24 February 2014

New York Review Books, 2005
Originally published 1986






Comments

Uit de nieuwe serie novelles van uitgeverij Wereldbibliotheek las ik ook Mamo, van de Hongaarse Angi Máté. Waar Martin Michael Driessens Een ware held één lange scène uitbeeldt bestaat Mamo juist uit een hele serie korte scènes. Een klein meisje groeit op bij haar oma, ergens in een dorpje in Transsylvanië. Oma heet Mamo en Mamo zorgt voor het meisje omdat haar ouders er niet meer zijn. Mamo is erg streng en vaak boos op het meisje, dat het liefst wegvlucht in haar fantasie. Daar drukt de armoede minder zwaar en vind het meisje een uitweg in haar eigen wereld. Hoewel ze veel dingen om haar heen niet begrijpt is er altijd haar verbeelding waarin alles wel logisch is en bekend.

Het zware en het slechte tot poëzie omsmeden is wat Máté doet en hierin deed ze me sterk denken aan Herta Müller. De verbeelding als wapen tegen de harde werkelijkheid. Je eigen verbeelding is tenslotte wel vrij, waar de dingen daarbuiten dat soms niet zijn. Net als bij Müller is die verbeelding soms lastig te doorgronden. Je moet je als lezer laten meevoeren in de droomwereld van het meisje. Niet alles is altijd duidelijk, voor haar niet en voor ons ook niet.

Toch zie je het dorpje voor je. Er zijn de kleine huisjes, met een tuintje, wat dieren en een schuur. De kevers die je kunt vinden in het gras naast het pad. Een bunzing die ´s nachts de eendenkuikens in de schuur opeet. Papa Laji die elke dag de kinderen naar de kleuterschool brengt. Mannen die soms te veel palinka drinken en dan zingend thuiskomen. Mamo die sokken en truien breit voor het hele dorp. De sinaasappels die je alleen krijgt tijdens het Winterboomfeest. Men is arm, maar zorgt voor elkaar. En dus zorgt Mamo voor het meisje. Maar wat gebeurt er als Mamo ziek wordt?

18 December 2013

Wereldbibliotheek, 2013
Oorspronkelijke titel Mamó, 2009
Vertaald uit het Hongaars door Anikó Daróczi





Comments

Een boek als inspiratie voor een reis. Vorig jaar Transsylvanië naar aanleiding van Jaap Scholten, dit jaar de Zwarte Zee en Istanbul met Olaf Tempelman.
Vanuit Roemenië de Donau over, Patrick Leigh Fermor in het achterhoofd. Wandelen in het Roetsjoek van Elias Canetti, hedendaags Ruse in Bulgarije. Verder met de trein naar Varna, ons eerste aanknopingspunt met Olaf Tempelman. Een drukke badplaats in het zomerseizoen, maar nu rustig. PSV speelt op alle schermen tegen een Bulgaars team en verliest. Ik laat niet merken dat ik uit Nederland kom. Tempelman beschrijft het zeepark in Varna, een kilometerslange groene strook tussen de zee en de achterliggende stad. Men flaneert er en maakt muziek. Kinderen proberen een piñata stuk te slaan.

Vanuit Varna één dag naar Balchik, Tempelmans tweede stop in Bulgarije. Niet overslaan dit charmante kustplaatsje, want er staat een wereldberoemd paleisje. Wereldberoemd in Roemenië in elk geval. Hier woonde ’s zomers koningin Marie van Roemenië, kleinkind van de Engelse koningin Victoria. Dit stukje Bulgarije was na de Eerste Wereldoorlog een tijdje van Roemenië, waardoor Marie hier haar zomerpaleis wilde hebben. Je voelt de koninklijke eigenzinnigheid; de koningin liet drie verschillende bouwstijlen met elkaar vermengen, inclusief minaret. De nabijgelegen rozentuin ontwierp ze ook. Verderop in Balchik worden ijverig nieuwe appartementen gebouwd. Voor de Roemeense toeristen uiteraard. Het leek ons ook wel een mooi plekje.

Verder richting Istanbul, de omgekeerde volgorde die Tempelman aanhoudt. Hij reist verder noordwaarts langs de Zwarte Zee, bezoekt vergeten vissersplaatsjes in de Roemeense Donaudelta, gaat op zoek naar Isaak Babel in Odessa en Tsjechov in Jalta, weet met wat moeite tot Abchazië te worden toegelaten en draait via Georgië weer linksom richting Turkije en uiteindelijk Istanbul. Wij kozen de kortste route naar Istanbul, tien uur met de bus vanaf Varna.

Istanbul is mooi, Istanbul is druk, Istanbul slaapt nooit, niemand wil weg uit Istanbul. Wij ook niet, maar doen het toch. Uiteraard om snel weer terug te keren, want dat moet. Als je de stad één keer gezien hebt wil je haar vaker zien. Het is niet voor niks dat Tempelman Istanbul gebruikt als begin en eind van zijn reis. Dat zou ik ook doen. Het is het centrum van de hele regio en dat voel je. Onze gids in de stad, werkzaam bij het Roemeens cultureel instituut, vertelde dat zij er nu een half jaar woont. Ze wil er wat haar betreft niet meer weg en is alleen nog op zoek naar een rijke Turkse man.

6 Oktober 2013

Atlas Contact, 2013
Met foto's van Marco van Duyvendijk





Comments

Een jong echtpaar komt naar Nederland om hier een bestaan op te bouwen. Hij heeft werk, zij vindt werk, beiden leren de taal. Zij verlangt terug naar huis, naar Roemenië, toen er nog liefde was tussen hen. Ze groeien uit elkaar. Gefrustreerd begint zij een verhouding met een oudere Nederlandse man. Toch blijft zij hunkeren naar haar echtgenoot, naar een kind dat nooit komt. Een kind zou hen weer bij elkaar brengen denkt zij.
Met de dilemma’s van de immigrant heeft Mira Feticu een goed thema te pakken. Van alle tijden en tegelijkertijd actueel. Vele mensen komen naar Nederland, in het hoop het hier beter te krijgen dan thuis of gewoon om een paar jaar te werken. Hun dromen en ambities, hun strijd met het nieuwe land; dit is herkenbaar en interessant.
In haar boek De ziekte van Kortjakje stipt Feticu dit onderwerp veelvuldig aan, maar het vormt niet het hoofdonderwerp. De zoektocht naar liefde vormt de kern van het boek. Feticu’s hoofdpersoon zoekt naar liefde bij haar man. Als hij haar meer en meer negeert raakt ze gefrustreerd. Hij vindt juist dat zij zich hysterisch gedraagd en dat hij haar daarom juist negeert. De vrouw als hysterische harpij, de man als gevoelloos blok steen; een gedateerd archetype als je het mij vraagt, of blijft zoiets eeuwig houdbaar?
Feticu neemt geen blad voor de mond. Met de openingszinnen zet ze gelijk de toon: “Sinds twee jaar masturbeer ik elke dag in het geheim (ook als ik ongesteld ben, dan vooral). Daarbij denk ik aan vreselijke dingen, aan ongelukken, de dood. Ik vinger mezelf tot er bloed stroomt en ik niet meer op mijn kont kan zitten, totdat de straal urine ongecontroleerd uit me gutst.” De ondertitel van het boek luidt ‘lust, liefde en eenzaamheid’ en dat wordt hier effectief in één ranzig beeld getroffen. Het is alsof de schrijfster eerst een voorselectie onder haar lezers wil houden: weet je zeker dat je verder wilt in dit boek?
Ik vind het mooi dat Mira Feticu, die zelf vanuit Roemenië naar Nederland is gekomen, in het Nederlands is gaan schrijven. De volmaakte integratie zou ik zeggen. Maar het kan nog wel een stuk beter. De ziekte van Kortjakje is niet mijn boek, dat is duidelijk. Ik hoef niet per se een heel boek lang in het hoofd van een seksueel gefrustreerde vrouw te zitten. Feticu heeft echter wel degelijk een eigen stem, die wat mij betreft het beste tot uiting komt wanneer ze herinneringen beschrijft uit Roemenië; wandelingen door de stoffige straten van Boekarest, een eigenzinnige grootmoeder die verhalen vertelt en de communisten vervloekt. Hier wil ik graag meer over lezen.

2 Juni 2013

De Geus, 2013



Comments

(oorspronkelijk gelezen 26-10-2011) (citește în română)

Naar aanleiding van Kameraad baron hebben we in september 2012 een reis door Transsylvanië gemaakt, met de auto. We bezochten enkele plaatsen die Jaap Scholten ook aandoet in zijn boek. Maar hoe kom je na het lezen van een boek tot een daadwerkelijke reis?
In het begin moest ik nogal wennen aan het onderwerp. “Een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristocratie”, zoals de ondertitel luidt, deed mijn hart niet onmiddelijk sneller kloppen. Ik kreeg pas zin om het boek te lezen toen Jaap Scholten, samen met Ernest van der Kwast, een avond verzorgde onder de naam Baron Tandoori (Tandoori naar het boek van Van der Kwast, Mama Tandoori). L., die er ook bij was die avond, raakte enthousiast, kocht Kameraad baron en wist onmiddelijk een mooie opdracht door Jaap Scholten te versieren. Zij las het en spoorde mij aan hetzelfde te doen.
Kameraad baron behandelt drie periodes uit de geschiedenis van de Transsylvaanse aristocratie: voor, tijdens en na het communisme. De scheidslijn valt op 3 maart 1949, als in één nacht alle grootgrondbezitters door de communisten worden opgepakt, hun land wordt onteigend en ze een verplichte huisvesting krijgen. Scholten spreekt vele leden van de voormalige Transsylvaanse adel; mensen die 1949 zelf nog hebben meegemaakt en hun nakomelingen. Via de oudste overlevenden hoort hij hoe hun leven was voor de oorlog en de komst van de communisten. Transsylvanië viel na de Eerste Wereldoorlog toe aan Roemenië, maar de aristocratie was nog grotendeels van Hongaarse origine. Zij leefden in weelde, in paleizen en landhuizen, en stonden in hoog aanzien bij de lokale bevolking. Door de Tweede Wereldoorlog was hier al weinig meer van over; velen probeerden te vluchten voor de oprukkende Russen. Maar na die nacht in 1949 was alles voorgoed voorbij. Ieder die van adel was en dus tot de staatsvijandige grootgrondbezitters werd gerekend door de communisten kreeg een Domiciliu Obligatoriu toegewezen, een verplichte verblijfplaats waar zij niet vandaan mochten en zich elke ochtend moesten melden. Sommigen werden elders tewerkgesteld, zoals bij het beruchte Donau-Zwarte Zeekanaal, maar de meesten verbleven onder erbarmelijke omstandigheden in enkele steden in Transsylvanië. Vaak in een vochtige kelder met het hele gezin, terwijl ze voor bijna geen enkel werk meer in aanmerking konden komen.
Scholten spreekt een aantal overlevenden van deze periode – eigenlijk alleen nog maar vrouwen, de mannen zijn veelal in werkkampen omgekomen – in de steden Cluj en Târgu Mureş. Ook bezoekt hij enkele voormalige familiebezittingen, landgoederen en huizen. Sommigen proberen hun familiegrond weer terug te claimen van de Roemeense staat, of in elk geval het familiehuis, voor zover dat nog overeind staat. Het zal niemand verbazen dat dit zeer lastig is. Vele zaken lopen al jaren, maar meestal zonder succes.
Dit alles maakt Kameraad baron tot een weemoedig boek, waarin nostalgie naar een verloren tijd wordt afgewisseld met cynisme over de huidige situatie. Ik vond het echter ook een inspirerend boek. Om een en ander met eigen ogen te zien verbleven we enkele dagen in Cluj en Târgu Mureş (Koloszvár en Marosvásárhely in het Hongaars), de twee steden in Transsylvanië die Jaap Scholten ook veelvuldig aandoet, omdat daar enkele van de oudste nog levende leden van aristocratische families wonen. Wandelend over oude pleinen en straten proef je nog een beetje de veelzijdige, multiculturele sfeer die er honderden jaren gehangen moet hebben. Nog altijd woont hier een grote groep Hongaren en spreken veel mensen zowel Roemeens als Hongaars (hoewel het spreken van de andere taal soms gepaard gaat met enige weerzin). Tevens bezochten we het Bánffy kasteel, dat een aantal keer in het boek ter sprake komt. Ooit een beroemd paleis, inmiddels een tamelijk deprimerende ruïne. Het wordt weliswaar gerestaureerd, maar niemand weet tot wanneer hier nog geld voor beschikbaar is. Zeker op zo’n plek is de weemoed uit het boek goed te begrijpen.

het Bánffy kasteel

Logischerwijs, gezien zijn onderwerp, neemt Scholten eerder een pro-Hongaars dan een pro-Roemeens standpunt in. Uit angst voor eventuele represailles door voormalige Securitate-leden heeft één van Scholtens oudste bronnen hem daarom verboden het boek bij haar leven in het Roemeens te laten vertalen. Zo is het een geschiedenis die nog altijd voortleeft. Ook ik wil me er nog wat meer in verdiepen en heb inmiddels de vorig jaar vertaalde klassieker Geteld, geteld van Miklós Bánffy klaarliggen, met een voorwoord van Jaap Scholten.

de centrale boulevard in Târgu Mureş

3 Februari 2013

Uitgeverij Contact, 2011
Oorspronkelijk verschenen 2010








Comments (1)

I'm struggling with this book. It certainly was a struggle to finish, but afterwards I'm still not sure what to think of it. Stasiuk can write, that's for sure, only for some reason he chooses to write two good pages and then becomes unintelligible for another ten. I like it when he gives quotations, by writers such as Cioran, Kiš or Esterhazy. I like his decriptions of small backwater villages in Slovakia, Albania, Romania; it makes me want to drive there too. But he can have awfully dense philosophic passages that blur in front of my eyes. It almost seems he wants to push his readers away, keeping his thoughts to himself. Maybe this book wasn't meant to be published and he did write this as a personal notebook. Or maybe he refused to write a more conventional travel book and wanted to make a point like 'finding meaning in a text is pointless and irrelevant, just like finding meaning in the things I encountered on my travels is; therefore, I shall make my book as vague as possible to mirror this experience.' The text mimicks reality and all that. I don't know. Unlogically as it may seem, I am rather intrigued by this Stasiuk and will read another of his books in the near future, when possible.

27 August 2012

Vintage, 2012
Original title Jadąc do Babadag, 2004
Translated from the Polish by Michael Kandel



Comments

De opening van dit boek klinkt als een aflevering van Midsomer Murders: een dorpspriester wordt vermoord aangetroffen en vlak daarna verdwijnt een lerares op mysterieuze wijze. Alleen speelt dit alles zich af in een bergdorpje, diep in de Roemeense Karpaten. Hier woont een curieuze mengeling van Duitsers, Hongaren, Roemenen en zigeuners, die elkaar het liefst in de haren vliegen. Het verhaal begint in de jaren vijftig, als zelfs in dit afgelegen gebied het communisme begint door te dringen. Dat de gebeurtenissen rondom de priester en de lerares iets met de communisten te maken hebben beseft al gauw iedereen. De oplossing van dit mysterie zal echter pas vele jaren later duidelijk worden, na de val van Ceaușescu. De tussenliggende periode weet Bauerdick met veel vaart te beschrijven. Hij zet de verschillen tussen alle figuren in het dorp lekker vet aan en laat op hilarische wijze zien wat de onafwendbare moderniteit voor deze mensen betekent. Het levert een smakelijk boek op.

28 Juli 2010

Mouria, 2010
Oorspronkelijke titel Wie die Madonna auf den Mond kam, 2009
Vertaald uit het Duits door Meindert Burger

(citește în română)



Comments
 

reading now


Categories