Nicole Montagne is een ideale gids. Door een stad, een landschap, of langs mensen. Ze observeert, flanerend door de straten, zonder ergens speciaal op te letten. Het gaat haar erom open te staan voor een nieuwe indruk, een plek waar een verhaal aan vastzit, zonder daar al te zeer naar op zoek te zijn. ‘Opzettelijk negeren van wat je geacht wordt te zien’ (p.11).

Om haar eigen associaties op gang te brengen leest en bekijkt Montagne graag het werk van anderen: schrijvers, fotografen, grafici. En daar schrijft ze dan weer over. In Een makelaar in Pruisen vinden we een verzameling van haar stukken, vaak niet meer dan twee of drie bladzijden lang. Afgezien van de intrigerende titel had ik eigenlijk geen aanknopingspunten bij dit boek. Totdat ik Nicole Montagne in gesprek zag met Wim Brands in het tv-programma Boeken (bekijk hier de uitzending). Ze had het over het werk van de hedendaagse fotograaf Julian Germain, die de hele wereld was afgereisd om foto’s van schoolklassen te maken. Lokalen met leerlingen erin, Classroom portraits, maar dan steeds net anders dan je zou verwachten.
Montagne noemde ook de kunstenaar Roman Opalka (1931-2011), wiens levenswerk bestond uit het schilderen van eindeloze reeksen opeenvolgende getallen. Om het verglijden van de tijd te markeren begon Opalka steeds een gradatie wittere cijfers te schilderen op een wit doek, net zo lang totdat hij aan het einde van zijn leven vrijwel wit op wit schilderde. ‘Welverdiend wit’ noemde hij dat.

Fascinerende kunstenaars met fascinerende projecten, Een makelaar in Pruisen staat er vol mee. Vaak begint Montagne bij één kunstenaar om uiteindelijk al associërend bij de kunstenaar uit te komen over wie het stuk oorspronkelijk zou gaan. Soms schrijft Montagne ook over haar eigen leven, veelal in connectie met Tsjechië. Als jonge student grafisch ontwerpen woonde Montagne een tijdlang in het nog communistische Tsjechië. Later keerde ze nog vaak naar dit land terug. Het mistige, mysterieuze Praag is een plek die Montagne haar leven lang blijft fascineren, net als de Tsjechische grafici die ze daar ontmoet. Tsjechische schrijvers als Bohumil Hrabal en Karel Čapek bevolken en kleuren Montagnes gedachtenwereld.
Om elke dag voor even terug te keren naar deze wereld ben ik Een makelaar in Pruisen ’s avonds gaan lezen, in bed. Eén zo’n kort stuk voor het slapen is ideaal, meer hoeft niet. Of het nou verhalen, essays of andere stukjes zijn, dit late lezen wil ik blijven volhouden. Zo kan ik misschien met enige regelmaat enkele van de vele verhalen- en essaybundels lezen die me aanspreken. Op zoek naar meer associaties, opzettelijk negerend wat ik geacht word te zien.


Een schilderij van Roman Opalka uit 1965 (bron: Repeating decimal)



Foto uit Classroom portraits van Julian Germain (bron: Nederlands Fotomuseum Rotterdam)

15 Januari 2015

Uitgeverij Vantilt, 2014
192 pagina's








Comments

Dit boek speelt met me. Ik kan er geen vat op krijgen. Daar begint het al mee, waar komt die neiging vandaan dingen in hokjes te stoppen, te verklaren: reisboek, autobiografie, essaybundel, of toch een roman? Vanaf het begin had ik geen rust. Valeria Luiselli, een jonge Mexicaanse schrijfster, is op allerlei plekken ter wereld en schrijft daarover. Sommige plekken die ik ken – Venetië, New York – andere die ik niet ken – Mexico-Stad, Mumbai. Ze opent in Venetië, op zoek naar Joseph Brodsky en diens graf. Brodsky opent vervolgens de deur naar Luiselli’s mijmeringen; over andere beroemde schrijvers op die begraafplaats in Venetië en, door ook hen te citeren, nieuwe mijmeringen over slenteren door steden, zoals vele schrijvers dat voor haar deden (onlangs nog Teju Cole); over het schrijven zelf en de drang geliefde boeken te herlezen, wat herinneringen in gang zet over de plek waar je een boek voor het eerst las.
Luiselli schrijft associatief, maar haar boek leest ook associatief. Via de vele citaten en verwijzingen (te veel om te tellen!) droomde ik zelf ook weg. Valse papieren is zo opgebouwd dat je steeds weer heen en weer bladert; waar bevinden we ons nu, welke schrijver was het ook al weer die daar iets over gezegd had. Valeria Luiselli lezen is aanstrepen (in tijden niet meer zoveel aangestreept), wegdromen, terugbladeren; steeds opnieuw. Valse papieren staat vol prikkelend proza. Een boek waar ik zeker nog vaker naar zal terugkeren. Tot slot nog dit citaat, over slenteren per fiets: ‘Alleen wie de wereld vanaf een fiets beziet, kan verkondigen een extravagant-romantische slenterziel te bezitten’ (p. 53).

10 April 2013

Uitgeverij Karaat, 2012
Oorspronkelijke titel Papeles falsos, 2010
Vertaald uit het Spaans door Merijn Verhulst




Comments

De avond verliep anders dan ik me had voorgesteld. Ik wilde verdergaan in de biografie van Kapuscinski, een kort verhaal lezen uit Naar de stad, maar toen bleek er een gratis boekje bij de Groene Amsterdammer te zitten deze week. Dat moet je natuurlijk lezen. Ik scheurde het cellofaan los en hield het nieuwste boeje van A.H.J. Dautzenberg in mijn handen, Rafelranden van de moraal. Waarom moest het nou net die vervelende schreeuwlelijk Dautzenberg zijn? Een mediageile schrijver die meer aandacht creeërt door wat hij doet dan vanwege de kwaliteit van zijn boeken; was mijn oordeel zonder ooit één boek van hem gelezen te hebben. Toch moet je iedereen een kans geven, misschien juist wel schrijvers waarover je al bij voorbaat zo’n duidelijke mening hebt. En waarempel, Rafelranden van de moraal intrigeerde me; voor ik het wist wilde ik verder lezen. Eigenlijk heeft Dautzenberg het voornamelijk over zichzelf, over de ophef die rond hem ontstond na enkele controversiële acties: afgeven op A.F.Th. van der Heijdens Tonio, lid worden van pedofielenvereniging Martijn, nepinterviews publiceren met onder meer de zanger van cultband Motörhead.
Dautzenberg wil laten zien hoe Nederland de laatste jaren een moralistisch land is geworden, waar onderbuikgevoelens en fatsoen zwaarder wegen dan de vrijheid van meningsuiting. Hij lijkt de rol van Theo van Gogh te hebben overgenomen: iemand die voornamelijk onaangename, beledigende of aanstootgevende dingen zegt. Juist door de grenzen van het toelaatbare op te zoeken houdt hij ons een spiegel voor; het gaat eigenlijk meer om de reacties van mensen dan om wat er in eerste instantie gezegd is. Bijvoorbeeld waar het over kinderen gaat, verliezen veel mensen elk gevoel voor objectiviteit en wordt men het liefst zelf rechter. Op de bres voor het fatsoen neemt de onderbuik het over. Dit is interessant. Hier is het Dautzenberg om te doen. Laten zien waartoe gewone mensen in staat zijn als zij het gevoel hebben tegen een groot kwaad te strijden. Ik moest herhaaldelijk aan de Deense film Jagten denken. Ik denk dat ik Dautzenberg nog steeds een vermoeiende schreeuwlelijk vind, maar ik geef toe dat hij me wel aan het denken heeft gezet. Toch goed ingeschat van de Groene Amsterdammer.

15 Maart 2013

Atlas Contact, 2013


Comments

Many people can easily go through life reading nothing but novels. I admit that is better than not reading at all, of course, but it wouldn’t do for me. While the novel is still my favourite genre, I always need to mix it with other reading matter: history, travel, short stories, graphic novels, essays, drama. I don’t think I’ve ever read a collection of essays on theater before, though.
The empty space is apparently an essential text for drama students; I’d never heard of it. Its idea is simple, to give an overview of the position of theatre at the end of the 1960’s. Writer Peter Brook, a celebrated director who worked with many famous actors and companies, divides his topic into four parts: deadly theatre, holy theatre, rough theatre and immediate theatre. To summarize these four parts is hardly possible, but I will give it a go. The deadly theatre is what theatre should not be, but all too often is: fake, shallow, overly dramatic or popular. The holy theatre is what theatre can be under ideal circumstances: life-changing, giving energy, inspiration and creating a sense of community. The rough theatre is where that battle is constantly fought, striving toward the pureness of the holy theatre, but getting stuck in mundane deadly theatre. The immediate theatre, finally, is where Brook tries to bring it all together: by talking of his experience as director he goes from designing a set to the first rehearsals and from an opening night to the necessity of an audience. This, I will admit, is what I remember from reading this book.
The trouble with The empty space is its density, or to put it a little more bluntly, its absolute vagueness. Many sentences I had to read two or three times to get any sense from them. I often found myself staring at a page for some minutes, not being able to let the words form themselves into meaning. Although I took it only one part at a time I did force myself to at least finish each part every time I sat down with the book. Nevertheless, at the start of each new chapter I’d mostly forgotten what preceded it; it just wouldn’t stick in my head. The question is though, does that really matter? Is it bad when you forget the details but retain a strong overall impression? Perhaps this is better than remembering all the details in a book but failing to come up with any impression at all.
Brook’s love of the theatre comes across strongly, no matter how densely his writing can be sometimes. During my studies I took two drama classes, the inevitable Shakespeare class and one called Anglo-American Drama. Reading this book, some moments of these classes I hadn’t thought of for years suddenly came back. One was warming up with exactly the same exercise as Brook recommends here: with a group of people reading the line ‘To be or not to be, that is the question’, one word each person until the sentence becomes fluent within the group.
Not only does Brook make me want to dive into Shakespeare again, he also makes me enthusiastic about Brecht, Beckett, Chekhov and Pinter. Despite his vagueness, Brook is clear enough about the power of theatre, about the uniqueness of every performance, how wonderful it is to witness a group of actors playing live for you and how even more wonderful to be among those actors on the stage yourself. Simply put, I like theater and, if struggling through The empty space eventually makes you realize that once more, it must be worth reading it.

11 February 2013

Penguin Books, 2008
Originally published 1968





Comments (1)

I was in need of essays, preferably general essays that deal with all sorts of topics. Smith's collection was a good choice. Unsurprisingly, I liked the literary essays (Nabokov!) the most, but I also enjoyed reading on film, language and Smith's own family. Inspiring stuff, on a high level, but still readable. Want White Teeth next, I think.

12 February 2010

Comments

I started this collection in the beginning of July, in Valencia, and worked my way through it slowly, one or two essays at a time. Excellent reading, almost for 100%. Orwell writes very clearly, convincingly and intelligently. So, no matter the subject matter his essays were a pleasure to read. Good stuff which I'm surely going to re-read over time.

14 October 2009

Comments

Finished on the same day as Earnest, this collection centered around De Profundis. This letter itself is at times tedious to read, but is quite powerful right from the start. An interesting confessional text, certainly. It is accompanied by two nice essays, some minor poems and the splendid "Ballad of Reading Gaol". In all, a good, varied collection of Wilde's writings.

24 November 2008

Comments

The blueprint for drug-literature and a major influence for writers like Poe and Baudelaire. So, already interesting as milestone in literary history. Fortunately, it's not so badly written either, making it an enjoyable read by itself. Especially like the descriptions of his opium dreams; paranoid, claustrophobic, you get bits with crocodiles and dungeons. Nice stuff.

1 October 2008

Comments
 

reading now


Categories